Archive for the 'Ideologie' Category




Neutraliteit impliceert pluraliteit

“De kernvraag is niet of het verbod op het dragen van religieuze symbolen goed is voor de westerse maatschappij; de kernvraag is of het verbod de mensenrechten schendt. Pas als deze laatste vraag negatief wordt beantwoord, mag een verdediger van de westerse rechtsstaat de eerste vraag positief beantwoorden.”

Midden januari van dit jaar schreef ik een artikel omtrent het verbod op het dragen van een hoofddoek voor sommige ambtenaren. Ik werkte toen al aan een meer uitgebreide versie, waarin het recht op godsdienstvrijheid ruimer wordt behandeld. Deze versie heeft uiteindelijk de vorm aangenomen van mijn seminarie-essay voor de laatste licentie rechten. Ik koos als vak “Grondslagen van het Recht”, dat als hoofdthema voor het schrijven van het essay “Pluralisme in het recht” voorop stelde. Prof. dr. Matthias E. Storme begeleidde de totstandkoming van mijn werk.

Het eindresultaat vind je terug via deze link (pdf).




Minder overheid, minder extreem-rechts

Verkiezing na verkiezing stellen burgers aan hun beleidsmakers dezelfde vraag: hoe stoppen we de opmars van extremistische politieke partijen, in het bijzonder Vlaams Belang, in Vlaanderen? Die beleidsmakers hebben nochtans wel degelijk steeds op onze eisen gereageerd. Sinds de eerste Zwarte Zondag in 1991 hebben ze verschillende maatregelen getroffen om de verzuring tegen te gaan, en de onvrede van de burgers jegens de politieke klasse in te perken.

Er werden ombudsdiensten geïnstalleerd op federaal en deelstatelijk niveau, het verbod op discriminatie werd verder gepreciseerd, het Octopusakkoord hervormde de politie, de openbaarheid van bestuur werd een grondbeginsel van de administratieve diensten, straatbarbecues waren eventjes heel populair, verschillende andere projecten kregen subsidies, en onze media, vooral de openbare omroep, namen enthousiast aan deze projecten deel (denk maar aan feel-good-shows zoals Fata Morgana).

Desondanks werd Vlaams Belang steeds groter, en bij de regionale verkiezingen van 2004 werd de partij de grootste van Vlaanderen.

Daar kijkt een klassiek-liberaal niet echt van op. Eén methode tegen extreem-rechts is immers nog onbeproefd: het afbouwen van de overheid. Deze methode staat haaks op alle hierboven genoemde beleidsprojecten. Burgers zullen steeds de overheid aansprakelijk stellen voor het falen van handelingen die alleen de overheid kan stellen, zelfs al heeft de overheid niet noodzakelijk schuld aan dat falen, of zelfs al heeft ze er alles aan gedaan het te voorkomen (met bv. bestuurlijke openbaarheid).

Mochten diezelfde burgers morgen het trottoir voor hun deur in eigendom krijgen, dan kunnen zij de overheid niet langer aansprakelijk stellen voor losliggende tegels of onkruid. Geen haar op hun hoofd dat er dan aan zou denken voor Vlaams Belang te stemmen, want de overheid heeft helemaal geen fout gemaakt. In dit geval zal een rechter het probleem oplossen, niét de politici. Daarom ook is het mijn diepe geloof dat enkel overheidshandelingen aan de oorzaak van het succes van Vlaams Belang liggen: conflicten tussen burgers onderling - overigens al dan niet allochtoon - hebben met de rechtbanken in een rechtsstaat immers al een eigen efficiënte en rechtvaardige oplossing.

En eigenlijk is dat de kern van het liberalisme: wie vrijheid krijgt, neemt zijn verantwoordelijkheid op tegenover anderen, en draagt de aansprakelijkheid voor het belemmeren van andermans vrijheid. Het is deze kritische houding tegenover de overheid en machtshebbers, en het geloof dat vrijheid en individuele verantwoordelijkheid onvoorwaardelijk tot vooruitgang en welvaart leiden, en dus ook tot persoonlijk geluk, die liberalen stimuleren verder te blijven reageren tegen paternalisme en bemoeizucht vanwege politici.

Gepubliceerd in Blauwdruk, jaargang 34, 2006-2007, nummer 1.




Het Europese recht op vrije meningsuiting

Het Centrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding (CGKR) heeft er een nieuwe zondebok bij. Toen Paul Beliën in een (intussen verwijderd) opiniestuk omtrent de moord op Joe Van Holsbeek de allochtone daders “roofdieren” noemde, die “van kleinsaf [...] tijdens het jaarlijkse offerfeest [hebben] geleerd hoe ze warmbloedige kuddedieren moeten kelen” werd tegen hem een klacht ingediend wegens racisme op het internet. Tegenwoordig kan dat anoniem via de recentelijk opgerichte Cyberhate-website van de overheid.

Velen zullen het verwonderlijk vinden dat de uitspraken van Beliën in de Verenigde Staten als betrekkelijk banaal worden aanzien. Het is voor hen ook moeilijk te vatten dat organisaties als de KKK of neo-nazistische groeperingen in de Verenigde Staten zich probleemloos op het recht op vrije meningsuiting kunnen beroepen, terwijl dit in Europa ondenkbaar is. Vandaar ook dat de klacht tegen Beliën in Amerika nauwgezet wordt gevolgd: recentelijk verscheen een opiniestuk in The Washington Post waarin felle kritiek werd geüit op de Belgische inperking van de vrije meningsuiting. (Toch even verwijzen naar de McCarthy witch-hunts en de huidige houding tegenover terrorisme: Amerika heeft evenmin een schoon geweten inzake vrije meningsuiting.)

De reden van het verschil tussen het Europese en het Amerikaanse recht op vrije meningsuiting is historisch te verklaren. Terwijl in de Verenigde Staten al enkele eeuwen een absoluut recht op vrije meningsuiting bestond, zijn gelijkaardige grondrechten in Europa pas effectief geworden na de Tweede Wereldoorlog. Ze werden vastgelegd in het EVRM, samen met andere rechten en vrijheden, met als doel elke Europese burger voorgoed voor de racistische verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog te behoeden. Het zou dan ook contradictorisch zijn, mocht iemand zich op het recht op vrije meningsuiting kunnen beroepen om discriminatoire uitspraken te mogen doen (het EVRM bepaalt overigens uitdrukkelijk dat dergelijk rechtsmisbruik niet toegelaten is).

De strikte naleving van de racismewetten in ons land, en de implicaties daarvan voor het recht op vrije meningsuiting hebben ook een politieke oorzaak: ze worden gebruikt als instrumenten bij uitstek om Vlaams Belang van de macht te weerhouden. Elke mening die volgens de overheid deviant of politiek-incorrect is, kan ermee worden bestraft.

Het recht op vrije meningsuiting moet echter absoluut zijn. Censuur en gedachtenpolitie zijn in een vrije, democratische maatschappij onaanvaardbaar. Bewustzijn is de kern van het mens-zijn. Het niet kunnen uiten van de gedachten die eruit ontstaan is een flagrante schending van mensenrechten. Ook als die mening bepaalde gevoelige punten in een maatschappij blootlegt, kan deze niet verboden worden. Wel integendeel, kritiek moet worden aangewend om maatschappelijke debatten op gang te brengen.
Bovendien wordt racisme niet opgelost door een beperking van de vrije meningsuiting: een gevangenisstraf of een geldboete verandert helemaal niets aan de mening van een persoon. Siegfried Verbeke gelooft vandaag nog steeds dat er geen holocaust is geweest. Filip Dewinter staat nog steeds achter het klassieke Vlaams Blok-programma. En Paul Beliën zal, indien het tot een veroordeling komt, na afloop van zijn straf nog steeds dezelfde mening hebben over de daders van de moord op Joe Van Holsbeek.

De bepalingen van het EVRM zijn overigens vooral van toepassing op de verhouding tussen de overheid en zijn onderdanen (zgn. verticale werking). Tot op vandaag zijn juristen het niet eens over de vraag of de grondrechten van het EVRM ook tussen burgers onderling gelden (horizontale werking). Het naleven van enkel de verticale werking zou inderdaad een nieuwe holocaust kunnen voorkomen: de overheid mag, o.g.v. het EVRM immers niet discrimineren.

Aan het EVRM enkel verticale werking toekennen, zou dus best wel een goede oplossing kunnen zijn. Enerzijds wordt het doel van de grondrechten niet miskend: indien de overheid niet mag discrimineren in haar handelen en in het uiten van haar mening, kan ze onmogelijk de vervolging van een bepaalde groep mensen op poten zetten. Een dergelijke interpretatie doet dus geen afbreuk aan het doel van de wet. Bovendien krijgt de overheid zo een voorbeeldfunctie, eerder dan de huidige situatie waarin de overheid een sanctie-orgaan is. Anderzijds blijft bij een verticale werking het recht op vrije meningsuiting (en alle grondrechten van het EVRM) absoluut geldig voor de burgers zelf, zonder enige beperking.

Het doel van de beperking van de vrijheid van meningsuiting, nl. racisme bestrijden, is nobel. Racisme is verwerpelijk, het oordelen over mensen op basis van hun afkomst, geaardheid of geloof onaanvaardbaar. Het middel om racisme te bestrijden, nl. de beperking zelf van het individuele recht op vrije meningsuiting, is echter efficiënt noch acceptabel. Racisme bij burgers kan immers niet worden bestreden met wetten en straffen. Het moet vanzelf uit een gezonde, vrije maatschappij verdwijnen.




Vrijheid als basis voor elk politiek systeem

De Belgische grondwet van 1831 was in die periode (en zelfs tot op heden) de meest liberale grondwet die op het Europese vasteland in werking trad. Na het wanbeleid van de Nederlandse koning Willem I wou de revolutionaire Constituante die het grondwettelijke document samenstelde, voorgoed komaf maken met willekeur en machtsmisbruik in de nieuwe staat België. Er werden dan ook een uitgebreid aantal individuele rechten en vrijheden in opgenomen, waaronder de pers-, godsdienst- en onderwijsvrijheid, het recht op vrije meningsuiting en de vrijheid van vereniging, die de bescherming van de burger tegen het wanbestuur van de machtshebbers moest bezegelen.

Amper twee eeuwen later zijn de liberale idealen van toen echter compleet uitgehold (we verwijzen in het bijzonder naar het ontwerp van Europese Grondwet): het verbod op discriminatie regeert genadeloos over de politieke, economische en sociale sfeer, de burger kreeg er zomaar een grondrecht op milieubescherming bij en het even nieuwe grondrecht op sociale zekerheid geldt als excuus bij uitstek om elke burger, zelfs de meest behoeftige, zonder zijn toestemming een deel van zijn zuurverdiende loon te ontnemen. Het zijn de drie voorbeelden bij uitstek van grondrechten die niet door elke burger worden ondersteund. Basisrechten en -vrijheden moeten nochtans universeel gelden en dus door iedereen (kunnen) worden aanvaard.

Ergerlijk wordt het vooral wanneer we er de eindeloze lijst gewone (lees: niet formeel grondwettelijke) wetten, regels en bepalingen bij halen, waarvan vele nuttig noch nodig waren om de oorspronkelijke rechten en vrijheden van de burger te beschermen - voorbeelden zijn legio. Het is moeilijk te begrijpen hoe de wetgever een dergelijk paternalistisch rechtssysteem heeft kunnen uitbouwen, zonder de liberale geest van de grondwet - die nochtans geldt als basis voor de gewone wetsbepalingen - in acht te moeten nemen. Sommige burgers zullen geen kritiek hebben op dit rechtssysteem, terwijl anderen geen mogelijkheid krijgen om vrij voor dit systeem te kiezen. Zij moeten zich meteen en onvoorwaardelijk onderwerpen aan de principes van deze democratie, die in grote mate door een (toevallige) meerderheid werden opgesteld. Het besef dat een terugkeer naar de basisbeginselen van onze oorspronkelijke grondwet (of op zijn minst een inperking van de betutteling) zich opdringt, lijkt geleidelijk aan in de publieke opinie door te sijpelen. De vraag rijst hoe zo’n grondwet er moet uitzien, opdat alle burgers hun rechten op de meest ruime manier kunnen genieten.

Op het eerste zicht lijkt dit vanuit klassiek-liberaal oogpunt helemaal geen moeilijke opdracht. Het aantal basisrechten dat deze ideologie verdedigt is immers beperkt, mede omdat deze rechten zeer ruim kunnen en mogen worden geïnterpreteerd. Zo impliceert het recht op individuele vrijheid o.m. het zelfbeschikkingsrecht, recht op vrije meningsuiting, recht op vereniging, onderwijsvrijheid, etc. Het eigendomsrecht garandeert een bescherming van de goederen van de burger, die hij door zijn werk en inzet heeft verworven. In ruime zin kan dit eigendomsrecht zelfs op dergelijke wijze worden geïnterpreteerd dat het ook de voornoemde individuele vrijheid omvat. Om misbruik en uitholling te voorkomen lijkt het o.i. toch aangewezen elk van deze rechten apart te omschrijven, doch met voldoende ruimte voor rechterlijke interpretatie. Grondrechten mogen in elk geval niet restrictief worden geïnterpreteerd. Het is immers inherent aan het concept vrijheid dat zij bij de minste beperking ervan niet meer bestaat. Toch zijn er begrenzingen aan deze grondrechten: zij worden ingeperkt door de rechten van de andere burgers, en omgekeerd.

Het zijn deze liberale rechten, gebaseerd op het recht op individuele vrijheid en eigendom, die de optimale bescherming en vrijheid bieden voor burgers tegenover diegenen die de macht over hen claimen, zowel beleidsmakers, als gewone medeburgers.

De vraag moet echter worden gesteld naar de universaliteit en de algemene aanvaarding van deze basisprincipes: zoals er burgers zijn die zich niet kunnen vinden in het verbod op discriminatie, zijn er ongetwijfeld burgers die niet akkoord gaan met pakweg het recht op eigendom. Het zou dan ook fout zijn te pretenderen dat de klassiek-liberale waarden de (enige) juiste politieke principes zijn. Evenmin mogen deze rechten met dwang aan de burgers worden opgelegd. In dat geval zou de grondwet immers zijn doel voorbijschieten, zouden de liberale principes op totalitaire wijze worden uitgeoefend, en zouden zij bijgevolg niet meer liberaal zijn.

Het belang van deze grondrechten belet niet dat burgers vrijwillig hun rechten en vrijheden geheel of ten dele, tijdelijk of langdurig afstaan aan andere burgers of aan een gemeenschap. Dat kan zowel via private ondernemingen (denken we aan de ziekteverzekering als alternatief voor de huidige sociale zekerheid), als via de werkelijke oprichting van samenlevingen of communities tot dewelke burgers vrijwillig kunnen toetreden. De mogelijkheden zijn hierbij onbeperkt: de betrokken partijen vullen de voorwaarden, hun vrijheden en verantwoordelijkheden zelf in onderling akkoord in. De burgers moeten dergelijke keuzes dus geheel vrijwillig kunnen maken, zich goed bewust zijnd van de gevolgen ervan, naar het voorbeeld van de contractssluiting. Eender welke vorm van dwang of bedrog is niet aanvaardbaar - al kwam die voort van een bij meerderheid van burgers genomen beslissing, want dit zou een beperking inhouden van de grondwettelijk beschermde individuele vrijheidsrechten. Uiteraard mag een dergelijke beslissing geen andere burgers in hun vrijheid raken, zoals reeds gezegd.

Uit al het bovenstaande mag blijken dat een grondwet noodzakelijk is om de individuele vrijheid van alle burgers te garanderen. Deze stelling gaat zelfs op ingeval de overtuigingen van sommige van die burgers haaks staan op de liberale basisprincipes: het recht op vrijheid impliceert het recht op onvrijheid.

Logischerwijs moet uit deze situatie na verloop van tijd het (of meerdere) ideale maatschappijsyste(e)m(en) groeien: de burgers zullen immers kiezen voor de samenleving die hen het meest bevalt. Minder goede systemen zullen in verval geraken en samen met hun aanhangers uitsterven. Het is dus even goed mogelijk dat een zuiver klassiek-liberaal ’systeem’ een dergelijke survival of the fittest niet overleeft, nl. onder de hypothese dat elke burger voor een afwijkend systeem heeft gekozen. Deze grondwet staat uiteraard evenmin ons huidige politieke systeem in de weg, met sociale zekerheden, uitgebreide grondrechten, etc. - zij het dat burgers er dan wel uitdrukkelijk zullen moeten voor kiezen.

Het blijft belangrijk in te zien dat enkel een grondwet die de liberale beginselen verankert, de garantie van vrijheid kan bieden: het is dan ook vanzelfsprekend dat een liberale grondwet als basis moet gelden voor de vrijheden van elke burger en van elke daaruit voortvloeiende samenleving, al is die etatistisch, totalitair, collectivistisch of… democratisch.

Gepubliceerd in Blauwdruk, jaargang 33, 2005-2006, nummer 2.




Het (recht op) leven aan een zijden draadje

Op 12 december 2005 werd Kenneth Lee Boyd geëxecuteerd in de Verenigde Staten, als duizendste terdoodveroordeelde sinds de doodstraf in 1976 in de VS werd ingevoerd. Kort daarop volgde de controversiële executie van Stanley Tookie Johnsson. Heel even kwam de doodstraf weer in de schijnwerpers te staan. De gekende feiten over de wereldwijde toepassing van de doodstraf zijn dan ook hallucinant. Zo luidde de officiële Chinese verklaring dat het land 3.400 gedetineerden zou hebben geëxecuteerd in 2004. Volgens Amnesty International geeft een toonaangevende Chinese parlementariër echter toe dat er bijna 10.000 mensen per jaar worden geëxecuteerd. Maar ook in de Verenigde Staten, een wereldmacht met een onmiskenbare voorbeeldfunctie in onze samenleving, werden 59 mensen tot de dood veroordeeld in 2004.

De meeste westerlingen vinden de doodstraf een barbaarse vorm van straffen, maar toch zijn er nog steeds veel mensen die geen eensluidende mening hebben. Als de namen Marc Dutroux of Saddam Hoessein vallen, krijgt de discussie plots een andere wending en vinden sommigen dat de doodstraf in bepaalde gevallen wél kan (de daden die voornoemde heren op hun kerfstok hebben, zijn nochtans van een niet te vergelijken verwerpelijkheid…). En dan hadden we het nog niet over de talrijke Amerikanen die onvoorwaardelijk voor het behoud van de doodstraf zijn.

Met dit bescheiden onderzoek willen we aantonen dat over de doodstraf veel verkeerde opvattingen bestaan. We hebben getracht een aantal klassieke argumenten en clichés kort te bespreken, en deze opzij te schuiven. Onderaan deze tekst gaan we nader in op de doodstraf vanuit liberaal oogpunt, zij het vrij beperkt omdat de onaanvaardbaarheid van de doodstraf voor liberalen zo vanzelfsprekend is. Naast de gekende liberale en/of humanistische argumenten vonden we heel wat concrete feiten en cijfers die het pleit in het nadeel van de doodstraf doen beslechten.

Oog om oog…

Een veelgebruikt argument pro doodstraf blijft nog steeds dat een moordenaar geen recht op leven heeft, omdat hij of zij het leven van een medeburger heeft weggenomen. Op het eerste zicht houdt die redenering steek. Als we ze echter in de juiste historische context gaan plaatsen, mogen we echter stellen dat het aloude “oog om oog, tand om tand”-principe in de 21ste eeuw (en eigenlijk al sinds de heropstanding van de rede sinds de Verlichting) niet meer aanvaardbaar is: ons strafrecht wordt niet langer door vergelding gestuurd en burgers mogen niet langer zelf het strafrechtelijke heft in handen nemen. Om diezelfde reden is het ook onaanvaardbaar deze taak over te laten aan de overheid. De kracht van onze samenleving is vandaag immers dat zij door de rede wordt gestuurd, niet door onze grillige emoties. Een land zoals de Verenigde Staten dat zichzelf humanitair en beschaafd noemt, en bovendien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) erkent, spreekt zichzelf tegen wanneer het zijn burgers tot de dood veroordeelt.

Dat de doodstraf een groter afschrikkingsmiddel zou zijn is evenmin een plausibel argument. Volgens Amnesty International hebben meerdere onderzoeken uitgewezen dat een terdoodveroordeling niet meer afschrikt dan een langdurige gevangenisstraf. Er is immers geen verband tussen de doodstraf en het aantal misdaden. Prof. dr. Lieven Vandekerckhove bewees dit eerder met het eenvoudige feit dat chauffeurs vertragen bij het naderen van een flitscamera en daarna gewoon weer gas geven: als er al sprake is van afschrikking door straffen, bereikt dit alleszins niet het verwachte doel. Burgers trachten de straf te vermijden, zonder hun strafbaar gedrag aan te passen. En ook omtrent de veel radicalere doodstraf bewijzen perceptie en gezond verstand dat straffen amper afschrikken: het valt immers te betwijfelen dat in Europa, waar geen doodstraf meer wordt uitgevoerd, meer ernstige misdaden zouden worden gepleegd dan in landen waar de doodstraf wel nog bestaat.

Een ander populair argument is dat de doodstraf een goedkoop alternatief zou zijn voor een levenslange opsluiting. De uitgave van belastinggeld blijft een gevoelig punt voor de staatsburger, zelfs als daar mensenlevens tegenover staan. Uit onderzoeken blijkt verrassend genoeg dat aan de uitvoering van een doodstraf zeer hoge kosten zijn verbonden. Deze vloeien voort uit het langdurige onderzoek en de gerechtskosten die bij dergelijke rechtszaken komen kijken. Men beseft blijkbaar wel degelijk dat de staat het beschikkingsrecht over het leven van een burger in handen heeft, en daarom verloopt de rechtspleging een stuk meer uitgebreid en ingewikkeld. Het Death Penalty Info Center meldt dat een doodstraf in Indiana een prijskaartje heeft dat 38 procent hoger is dan een effectieve levenslange gevangenisstraf (lees wel degelijk: levenslang maaltijden, bewaking etc. op kosten van de belastingbetaler). In de staat Kansas duurt een strafproces met de doodstraf als uitspraak gemiddeld vierendertig dagen, terwijl criminele rechtszaken met minder drastische gevolgen slechts negen dagen duren. Om je een idee te geven van de concrete cijfers: in Florida kostte één all-in executie in de periode 1973-1988 gemiddeld 3.2 miljoen dollar aan de maatschappij.

Opgeruimd staat netjes

Jammer genoeg laten burgers zich in het debat over de doodstraf nog te vaak leiden door emoties. De vrees van de burger voor misdaad neemt zulke absurde vormen aan dat zelfs een (levens)lange opsluiting hem niet gerust stelt.

Uiteraard moet een straf de veiligheid van een maatschappij garanderen, maar de opsluiting van een veroordeelde is een voldoende maatregel om het potentiële gevaar dat de misdadiger voor de samenleving kan betekenen, af te wenden. Een ander argument zou kunnen zijn dat door het ter dood veroordelen van een misdadiger, de dierbaren van de slachtoffers hun verwerkingsproces kunnen versnellen. Het behoeft geen verdere uitleg dat dit een zeer cynische stelling is: psychische bevrediging halen uit de dood van een mens is o.i. even immoreel als de concrete misdaad die de veroordeelde heeft gepleegd.

De doodstraf misbruikt

We trappen open deuren in, maar ook de overheid maakt fouten. Sinds 1974 zijn er 122 terdoodveroordeelden vrijgesproken op basis van nieuwe bewijzen. Het spreekt voor zich dat er nog steeds onschuldigen op Death Row zitten en dat deze fouten in het verleden het leven van onschuldigen hebben geëist.

Ook racisme blijkt in de context van de Amerikaanse doodstraf nog steeds problematisch. De feiten omtrent het terdoodveroordelen bevestigen dit. Het Death Penalty Information Center geeft ons hallucinante cijfers. Een recente studie in Californië heeft uitgewezen dat misdaden met een blanke als slachtoffer drie keer vaker leiden tot een executie dan een misdaad tegen een zwarte. De statistieken tonen ons dat bij interraciale moorden (i.c. een zwarte misdadiger en een blank slachtoffer - of omgekeerd) een zwarte misdadiger zwaarder wordt bestraft dan een blanke. Deze laatste opmerking geldt overigens eerder als een pleidooi tegen racisme vanwege de overheid, dan als argument tegen (dood)straffen, maar toont niettemin aan dat de doodstraf soms zelfs met willekeur wordt gehanteerd. En was staatswillekeur niet datgene wat men met de Amerikaanse grondwet voorgoed wou bannen?

Voor humanisten (die zich zowel in linkse, liberale als rechtse politieke kampen schuilhouden) heeft alle bovenstaande informatie weinig relevantie. Deze doet hoogstens dienst als ondersteuning van de ideologische argumenten tegen de doodstraf.

Het recht op leven is essentieel in elke maatschappij. In alle grondwetten en mensenrechtenverdragen komt dit grondrecht op de eerste plaats, en dit onvoorwaardelijk en onbeperkt. Het zijn en leven van de mens zijn de eerste bestaansvoorwaarden van een samenleving. De doodstraf (de facto doden in het algemeen) verdedigen op grond van zijn nut voor de samenleving en haar individuen, is dus contradictorisch. In quasi elke (maatschappij-) ideologie die ooit door de mens werd bedacht, wordt dan ook even veel waarde gehecht aan het recht op leven.

Het is dan ook logisch dat de overheid het recht op leven van zijn burgers moet vrijwaren - of het op zijn minst respecteren. Bij het toepassen van de doodstraf overschrijdt de staat duidelijk die primaire functie (zij het nu in de positieve zin van vrijwaren of in de negatieve zin van respecteren), meer zelfs, de overheid gaat er recht tegen in. Hierboven is uitgebreid beargumenteerd dat het terdoodveroordelen van criminelen volledig nutteloos is en op geen enkele manier de burger dient. Het is hallucinant dat sommige burgers nog steeds toelaten dat de staat zelf mensen doodt. Hieruit volgt logischerwijs ook een belangrijk debat over de legitimiteit van overheidshandelingen, en dus over de overheid zelf, dat ons uiteraard veel te ver zou leiden.

Het wezen en het leven van een mens zijn zijn meest kostbare goederen. De doodstraf heeft onomkeerbare gevolgen voor het individu - het houdt op te bestaan - en die eigenschap is reeds een voldoende voorwaarde om met de hoogste vorm van waakzaamheid met zulke straffen om te gaan.

Cleo Mombaers
& Willem Coppenolle

Gepubliceerd in Blauwdruk, jaargang 33, 2005-2006, nummer 2.




De hervorming van de gevangenisstraf

Is de toepassing van de gevangenisstraf in zijn huidige vorm achterhaald? Het is een vraag waarover zowel liberale als linksere denkers en juristen zich al decennialang hebben gebogen, maar waarop tot op vandaag geen eensluidend antwoord is gevonden. Dat dergelijke zware bestraffing noodzakelijk moest worden ‘vermenselijkt’, besefte men nochtans al in de 19de eeuw: de Wet-Lejeune van 31 mei 1888 voorzag voor sommige gedetineerden die zich gedurende hun gevangenisstraf goed hadden gedragen de mogelijkheid om na één derde van hun straf vrij te komen. Op die manier hield men rekening met veroordeelden die spijt hadden van hun daad of die hadden bewezen dat ze het vrije leven in de maatschappij weer aankonden en verdienden. Meer dan een eeuw later lijkt het er echter soms op dat de klok van het strafrecht in 1888 is blijven stilstaan…

De Wet-Lejeune is vandaag nog steeds van toepassing, maar komt steeds vaker onder vuur te liggen. De huidige kritiek vanwege de bevolking die meer en meer met criminaliteit te maken krijgt (persoonlijk, zoniet ‘eenvoudigweg’ via de media), en zelfs van meer ervaren figuren uit het politie- of gevangeniswezen, viseert echter de verkeerde dader. Niet de Wet-Lejeune moet worden vernietigd of aangepast, wél het huidige gevangenissysteem. Het verwijt dat veel daders van een misdrijf na hun straf niet tot inkeer zijn gekomen, dat ze zich aan recidivisme hebben bezondigd of dat ze (mogelijks voorafgaand aan recidivisme) niet de mogelijkheden hebben gekregen om zich weer in het maatschappelijke leven in te burgeren, moet immers niet aan de Wet-Lejeune worden gericht - of kortweg aan een gevangenisstraf van te korte duur -, maar wel aan het tekort aan begeleiding van gedetineerden, aan de te beperkte hoeveelheid mogelijkheden die zij krijgen gedurende hun gevangenisstraf en zelfs aan het wezen van de gevangenisstraf zelf (wat dit laatste betreft, lijken er echter weinig of geen andere mogelijkheden te bestaan voor het bestraffen van zware misdadigers). De gevangenisstraf in zijn huidige vorm beperkt de mens dermate in zijn mogelijkheden, dat de manier waarop dit individu wordt gestraft amper nog conform is aan de liberale opvattingen over en de rechten van het individu. Volgens de liberale ideologie is het individu immers een communicatief en sociaal wezen, dat de mogelijkheden moet krijgen om zijn talenten en eigenheid (via contact met anderen en met de maatschappij) te ontwikkelen en verfijnen, zodat het kan participeren aan zijn maatschappij.

Veroordeelden tot een gevangenisstraf - vrijheidsberovend, m.a.w. het hoogste individuele goed ontnemend - verblijven echter in een zeer kleine ruimte, afgezonderd van de maatschappij (noem het gerust ‘gevangenschap’). Meer en meer slapen ze met te veel mensen in één cel, dit omdat er te veel veroordeelden zijn, zoniet te weinig gevangenissen (de zgn. ‘overbevolking’). Ze krijgen amper begeleiding, tenzij wat psychologische bijstand en hulp van de klassieke ‘aalmoezenier’. Het contact met de buitenwereld is beperkt tot het bepaalde aantal bezoeken dat ze op vastgestelde tijdstippen mogen ontvangen. Het lijdt geen twijfel dat een veroordeelde van een misdrijf, die na ettelijke jaren (maar soms ook na een korte) gevangenisstraf vrijkomt, vaak slechts met veel moeite weer aan het maatschappelijke leven zal kunnen deelnemen. Hij heeft geen job en weinig geld. Hij heeft geen gezinsleven, geen professionele of familiale banden kunnen opbouwen tijdens de periode van zijn veroordeling, of die relaties werden afgebroken door zijn veroordeling. Zijn leefwereld buiten de gevangenis zal ongetwijfeld ingrijpend zijn veranderd. Al deze redenen maken dat begeleiding ook na de beëindiging van zijn straf noodzakelijk kan zijn.

In de huidige situatie wordt de veroordeelde die zijn gevangenisstraf heeft uitgezeten zelfs na zijn vrijlating geconfronteerd met de gevolgen van zijn straf (eerder nog dan met de gevolgen van zijn misdrijf). Het bestaan van een bewijs van goed gedrag en zeden is het meest frappante voorbeeld hiervan. Het gebruik van dit getuigschrift toont aan dat de straf van een ex-gedetineerde jarenlang kan voortduren. Immers, welke werkgever is bereid ooit een ex-misdadiger onder zijn werknemers aan te stellen? De afschaffing van het bewijs van goed gedrag en zeden is dan ook een noodzakelijke voorwaarde voor het welslagen van een hervorming van het gevangenissysteem. Dat een gevangenisstraf voor een bepaalde termijn wordt uitgesproken, zelfs kan worden ingekort, zoals bij de toepassing van de Wet-Lejeune, bewijst dat deze straf per definitie eindig is. Het is o.i. schandelijk te noemen dat iemand die net een aantal jaren van zijn leven in een cel heeft doorgebracht om daarna opnieuw te kunnen deelnemen aan het maatschappelijke leven, nog steeds de gevolgen van zijn misdrijf moet blijven dragen, zelfs nadat hij de straf voor zijn misdrijf reeds heeft ondergaan.

Het lijkt erop dat we met dit schrijven medelijden willen opwekken met de gestrafte. Medelijden heeft echter niets met dit onderwerp van doen. De gevangenisstraf heeft immers geen vorm van boetedoening tot doel (hoewel dit in schril contrast staat met de mening van Jan met de pet: “hoe meer een misdadiger moet boeten voor zijn daden, hoe liever” - over Jan met de pet hebben we het later nog). Daarentegen dient een straf ertoe diegenen die de maatschappij voor het hoofd hebben gestoten, tot inkeer te brengen en hen in zekere zin opnieuw om te vormen tot burgers die conform de normen van de samenleving kunnen leven (alvorens het scenario van “A Clockwork Orange” de lezer voor ogen komt, toch even stellen dat het gaat om ‘klassieke’ begeleiding, psychologische bijstand, … met andere woorden ‘rehabilitatie’). De gevangenisstraf moet aldus een helingsmiddel zijn en geen wraakinstrument. Daar ligt net het probleem. Het zou belachelijk zijn te stellen dat de gevangenisstraf aan het begin van het derde millenium ook effectief een helingsmiddel is geworden. Mogelijks werkt de gedachte aan dergelijke bestraffing enigszins afschrikkend bij diegenen die van zins zijn een misdrijf te begaan of die reeds een gevangenisstraf hebben ondergaan, maar toch is het afschrikkende effect van dergelijke bestraffing zeker noch onfeilbaar (volgens sommige studies zelfs nihil). Is het verantwoord de afschaffing van het bewijs van goed gedrag en zeden - en dus de onvoorwaardelijke heropname van de ex-gedetineerde in de maatschappij - aan de twijfelachtige garantie van afschrikking te koppelen? Is het anderzijds verantwoord het getuigschrift te behouden, omdat de Staat er niet in slaagt de gevangenisstraf van een helend effect te voorzien?

Er zijn aan te moedigen evoluties in het strafrecht merkbaar. Het voorbeeld hiervan bij uitstek is de invoering van de werkstraf in het strafrecht, als alternatief voor de gevangenisstraf. Sinds 7 mei 2002 is het in België mogelijk daders van bepaalde misdrijven te straffen met een werkstraf van 20 tot 300 uren. Vaak is de taak die de daders moeten uitvoeren, geassocieerd met hun misdrijf. Zo werd bv. door het openbaar ministerie geëist twee Leuvense jongeren die flitspalen met aluminiumfolie hadden omwikkeld (of ik dat een zwaar misdrijf vind is een andere vraag!), een taak te laten verrichten bij slachtoffers van zware verkeersongevallen. Ook aan drugszaken gerelateerde misdrijven worden vaak met een dergelijke toepassing van de wetgeving omtrent de werkstraf bestraft. Niet alleen bewijzen ze de gemeenschap met hun opgelegde taken een dienst (zou bestraffing dan toch een zekere vorm van boetedoening zijn en a fortiori een wraakinstrument?), daarenboven leren de veroordeelden via het werk dat ze moeten leveren de mogelijke gevolgen van hun daden onder ogen zien. De mogelijkheid van een werkstraf voor daders van ‘kleine misdrijven’ als alternatief voor een gevangenisstraf is alvast een grote sprong vooruit: daders van een misdrijf worden efficiënter gestraft, en de overbevolking van gevangenissen wordt effectiever aangepakt. Het gebruik van een werkstraf in het strafrecht lijkt, iets meer dan twee jaar na zijn invoering, ook in de praktijk een succes te zijn: “Het Justitiehuis wijst niet alleen op de vlotte uitvoering van de werkstraffen, maar zegt ook dat het om een zinvolle strafervaring gaat: de taken zijn nuttig en worden binnen de samenleving uitgevoerd, niet via uitsluiting” (kunnen we trouwens uit deze laatste zin afleiden dat het Justitiehuis uitsluiting ook zinvol vindt, of niet?).

Daarenboven is sinds eind september 2000 ook het elektronisch toezicht (ET) aan de reeks strafrechtelijke maatregelen toegevoegd. Bepaalde gedetineerden krijgen dankzij ET de kans een deel van hun gevangenisstraf thuis uit te zitten, zij het onder controle via een enkelband. Het systeem is sindsdien erg geëvolueerd: niet alleen zijn de wijzen waarop de veroordeelden worden gecontroleerd, gemoderniseerd (via GPS-satellietverbinding), maar bovendien kan ET sinds onlangs ook als een autonome straf worden uitgesproken, zodat de veroordeelde niet eerst een gevangenisstraf moet ondergaan. De veroordeelden krijgen een strak tijdschema, waaraan ze zich stipt moeten houden, maar ze mogen hun woning verlaten, ze blijven hun sociale omgang bewaren en kunnen zelfs werken. Vier jaar na de ingebruikname van dit systeem zijn de evaluaties eveneens zeer positief (wat overigens mag blijken uit het feit dat ET nu ook een autonome straf kan zijn). Volgens Ralf Bas, hoofd van het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht, blijkt de Belgische aanpak zelfs beter te werken dan die van de buurlanden: “Het allerbelangrijkste is dat je de gedetineerde (…) veel beter kunt begeleiden om zich te reïntegreren in de maatschappij. Dat we daarenboven zo de overbevolking beheersen is mooi meegenomen. In alle landen waar ET bestaat, wordt vooral de nadruk gelegd op het controleren of die veroordeelde wel degelijk in zijn huis is. Wij leggen vooral de nadruk op de begeleiding en reïntegratie. In dat kader spreekt men binnen Europa van het Belgische model. Ik ben ervan overtuigd dat onze manier van werken een veel beter resultaat geeft inzake recidive, maar we hebben nog tijd nodig om dat wetenschappelijk te kunnen onderbouwen.”

Liberalen die het respect voor de ontwikkeling van het individu en de persoonlijkheid hoog in het vaandel dragen, moeten dringend verdere stappen zetten in de hervorming van het gevangenissysteem. Het staat immers als een paal boven water dat de vigerende praktijk bezwaarlijk effectief en zelfs amper nog menselijk kan worden genoemd. De recente acties van Staatssecretaris Vincent ‘Q’ Van Quickenborne om de toepassing van het bewijs van goed gedrag en zeden te beperken, zijn alvast stappen in de goede richting (overigens staat de volledige afschaffing bovenaan op het beruchte lijstje zijner XII Werken). Ex-Minister van Justitie Stefaan De Clerck stelde in juni 1996 al alternatieve straffen en een hervorming van het systeem voor, maar het voorstel werd - nadat De Clerck enkele maanden later ontslag moest nemen door de Dutroux-affaire - grotendeels op de lange baan geschoven. Elektronisch toezicht en werkstraffen maakten overigens deel uit van dat voorstel.

Misschien richten we onze aandacht in het licht van bestraffing te veel op de slachtoffers, terwijl die in deze context irrelevant zijn. Dat het slachtoffer ook begeleiding nodig heeft en dat de schade die hij heeft geleden op gepaste wijze moet worden vergoed, staat buiten kijf. De stelling dat de bestraffing van de dader noodzakelijk is in het ‘verwerkingsproces’ van het slachtoffer, lijkt echter uit een zeer kortzichtige redenering voort te spruiten. Vergeten we immers niet dat de bestraffing er in de eerste plaats op moet gericht zijn van de dader, die de storende factor in de maatschappij is geweest, zo snel en efficiënt mogelijk, maar bovenal met respect voor diens rechten, weer een stevige schakel in die maatschappij te maken. Het lijkt ons vanuit dat standpunt dan ook fijngevoeliger en wijzer te stellen dat het slachtoffer zijn bevrediging haalt uit het doel en de gevolgen van de bestraffing van die zwakke schakel, eerder dan uit het feit dat hij wordt gestraft op zich.

Hoe kan de gevangenisstraf in praktijk helend werken en biedt psychologische begeleiding hiertoe voldoende garantie? Dat is een vraag waarop we moeilijk een ondubbelzinnig antwoord kunnen geven, en als we dat al proberen, zorgt voornoemde Jan met de pet op tijd voor het nodige teruggefluit. Immers, zolang het taboe dat op straffen en bestraffing rust, en dat gegroeid is uit de afkeer van de burger tegen alles wat met criminaliteit te maken heeft, niet wordt opgeheven, zal die burger niet bereid zijn te betalen voor de bijstand van gevangenen. En dat is mogelijks het moeilijkste onderdeel van een hervorming van het gevangeniswezen: probeer de man in de straat maar eens te overtuigen meer geld te spenderen aan de begeleiding van een gedetineerde… Het is echter noodzakelijk de gewone burger gevoeliger te maken voor een aantal essentiële beginselen van het strafrecht. Het belangrijkste hiervan met betrekking tot deze tekst is ongetwijfeld het feit dat wie zijn straf heeft uitgezeten, niet langer een dader van een misdrijf is en dan ook als een normaal functionerende burger in de maatschappij moet worden opgenomen. De burger moet dus beseffen dat de gevangenisstraf geen manier van wraak nemen is, maar daarentegen een noodzakelijk kwaad (is, zoniet moet worden), dat ertoe dient de gevangene in zekere zin te rehabiliteren. Het zal ongetwijfeld veel tijd en moeite kosten om die manier van denken op de bevolking over te dragen… Pas daarna zal sprake kunnen zijn van een verdere liberalisering, dan wel humanisering van het gevangeniswezen. Bovendien zal er ongetwijfeld nog veel meer tijd over gaan om ons huidige gevangenissysteem zodanig te hervormen, dat een misdadiger ook effectief opnieuw tot een normale burger wordt omgedoopt…

We moeten toegeven dat - vooral voor zware misdadigers - nog steeds weinig, zoniet geen straffen te bedenken zijn, die als alternatief kunnen gelden voor de gevangenisstraf. Voor daders van lichtere misdrijven is het echter noodzakelijk alternatieven als de werkstraf of het elektronisch toezicht als regel te hanteren, en de gevangenisstraf als uitzondering. Bovendien moet elke veroordeelde de kans krijgen bij de beëindiging van zijn gevangenisstraf opnieuw als volwaardige burger aan het maatschappelijke leven te kunnen deelnemen. Reeds tijdens en ook na zijn opsluiting moet de gedetineerde hiertoe een gepaste begeleiding kunnen genieten en bovendien kunnen verblijven in een gevangenis waarin zijn rechten als individu worden gerespecteerd. Een vrijheidsberoving zonder meer is immers nutteloos en onaanvaardbaar, zowel vanuit het oogpunt van de veroordeelde als vanuit dat van de maatschappij, en dat moet ook de belastingbetaler beseffen.

Onderstaande lijst is ongetwijfeld te kort om te kunnen pretenderen volledig te zijn. Ze somt echter een viertal essentiële regels op die in acht moeten worden genomen bij de hervorming van het gevangeniswezen.

- Blijvende toepassing van de werkstraf en elektronisch toezicht als doeltreffende alternatieven voor een gevangenisstraf en om de overbevolking tegen te gaan;
- menswaardige opsluiting en respectvolle behandeling van gedetineerden, in geval van vrijheidsberoving;
- betere begeleiding voor gevangenen, vooral aan het einde van de straftermijn, zodat de gedetineerde weer als individu kan deelnemen aan het maatschappelijke leven, en indien noodzakelijk moet deze bijstand blijven verderlopen nadat de straf zijn einde heeft genomen;
- volledige afschaffing van het gebruik van het bewijs van goed gedrag en zeden, zodat de straf geen verdere uitwerking heeft dan die welke in de veroordeling van de dader werd bepaald.

Eindversie op donderdag 25 november 2004

Gepubliceerd in Blauwdruk, jaargang 32, 2004-2005, nummer 2.


Wet-Dupont - toegevoegd op 6 december 2004

Bij schrijven was het wetsvoorstel-Dupont (intussen Wet-Dupont) mij nog niet bekend. Deze nieuwe wet brengt heel wat veranderingen in het huidige gevangenissysteem, dat totnogtoe door meer dan 150 omzendbrieven werd bepaald en een ruime keuzevrijheid aan de gevangenisdirecteurs toeliet. De wet probeert vooral de rechten van de gevangene (tweede punt van mijn conclusie) duidelijk vast te leggen. Zo wordt het dragen van een gevangenisplunje afgeschaft en krijgen de gevangenen een normaal loon voor hun werk (terwijl dat voorheen, bv. in de gevangenis van Ieper, ongeveer 80 frank per uur bedroeg).

De gevangenen krijgen een minder strikt bezoekersregime en de modaliteiten voor het tijdelijk verlaten van de gevangenis worden minder zwaar.

Wat nog op het programma staat in de komende jaren (eigenlijk al meer dan 20 jaar) is in de eerste plaats een afschaffing van de levenslange gevangenisstraf - vervangen door maximum 20 jaar. Begeleiding vanaf het beginnen van de vrijheidsberoving en verdere uitbreiding van de voorwaarden voor werkstraf en elektronisch toezicht behoren eveneens tot de toekomstige mogelijkheden.


Elektronisch toezicht - toegevoegd op 26 augustus 2004

Tot op heden bestaat er geen (formeel-) wettelijk kader voor ET. Alle bepalingen werden totnogtoe geregeld via ministriële omzendbrieven. De laatste noemenswaardige aanpassing dateert van 9 augustus 2002 - omzendbrief nr. 1746.