Monthly Archive for December, 2004




Optreden: Apostle of Hustle / Broken Social Scene - AB Club vrijdag 10 december 2004

Broken Social Scene en voorprogramma Apostle of Hustle uit Canada brachten gisteren hun laatste optreden van hun Europese toer naar Brussel. De hele bende van Silk Road had tickets op de kop getikt voor dit optreden dat overigens volledig was uitverkocht. Ik had nooit eerder van de groepen gehoord (blijkt dat ze behoorlijk veel op Studio Brussel worden gedraaid, maar ik ben geen radio-luisteraar…), maar ze hebben gisteravond in elk geval hun plaatsje in mijn muziekminnend hart veroverd. (nvdr: d.d. 11 september 2006 mocht ik ze al vier keer live aan het werk zien)

Broken Social Scene

Continue reading ‘Optreden: Apostle of Hustle / Broken Social Scene - AB Club vrijdag 10 december 2004′




Toen de prinsen nog spraken

Geert Hoste stond vorige week zonder twijfel handenwringend te grinniken toen hij een herhaling van het laatavond-journaal bekeek. In zijn nieuwste zaal-show had hij nog maar weinig moppen over het koningshuis kunnen tappen, omdat er over het voorbije jaar nu eenmaal weinig koninklijke anekdotes te vertellen waren… Prins Fie-lieps outing als communautair genie en politiek analyticus is waarschijnlijk het mooiste nieuwjaarscadeau dat Hoste zich ooit had kunnen wensen…

Toegegeven, we konden ons het stemtimbre van de prins al niet meer herinneren, en waren er rotsvast van overtuigd dat hij het spreken geheel had vervangen door wuiven en handjes drukken. Onze favoriete prins verraste vorige week echter vriend en - vooral - vijand met zijn gevatte opmerkingen omtrent separatisme en een bepaalde partij in het bijzonder. Menig zichzelf geregeld met tricoloortjes een breuk zwaaiend weduwtje moest even naar adem happen, want hoorde ze daar niet haar favoriete Bekende Belg die zomaar eventjes haar favoriete politieke partij aan de tand voelde?

Hamvraag is natuurlijk of de prins zijn uitspraken als lid van de koninklijke familie wel mocht doen. Hoewel de prins best wel recht heeft om zijn mening te uiten (in de zin van: “Het kind is mooi.”), mag die mening in elk geval niet politiek getint zijn, laat staan een aanval omvatten op een politieke partij. Dat de prins moet spreken voor het gehele Belgische volk is in deze discussie dan ook niet relevant, want de Grondwet bepaalt dat de Kroon niet mag worden ontbloot - lees: dat de Koning (in dit geval de Kroonprins) geen politieke mening mag uiten. Maar ons inziens ontblootten Filips uitspraken nooit eerder de Kroon zo duidelijk (de abortuskwestie leek ons immers eerder een ethisch dan een politiek dilemma). De huidige actualiteit volgend, betwijfelen we niet dat de hele kwestie echter met de (koninklijke) mantel der liefde zal worden bedekt…

De discussiemolens draaien intussen wel op volle toeren, en de gevolgen daarvan had Filip op het ogenblik van zijn uitspraken waarschijnlijk niet voorzien: de verschillen tussen de gemeenschappen komen om de meest frappante reden weer pijnlijk bloot te liggen. Sinds de koningskwestie is het pro-monarchistische standpunt van Vlaanderen blijkbaar met de noorderwind naar Wallonië gewaaid en is het anti-monarchistische Waalse standpunt door een metereologisch wonder gelijktijdig teruggekeerd naar Vlaanderen. Waalse en Vlaamse politici en media kibbelen weer onderling en een behoorlijk aantal Vlamingen stelt bovendien voor het eerst luidop het bestaan van de erfelijke (de Koning wordt dus niet gekozen door de burger), dure (voor Filip alleen al meer dan 30 miljoen frank per jaar - en ‘t is een grote familie) en nutteloze (of dacht je echt dat Filip en zijn deerne in China ook maar één contract zouden versieren?) monarchie in vraag.

Naast komieke Hoste zagen we tijdens de voorbije week nog meer mensen in hun vuistje juichen (mooi toch, al die vreugd’ - de prins heeft het sombere volk verblijd, comme il faut). Vlaams Belang heeft van zijn budget voor de startcampagne van zijn partij ongetwijfeld een beetje zakgeld opzij gezet voor de prins. De prins voelde het paleis immers al daveren op zijn grondvesten, en wil nu, terwijl hij nog in functie is, wat graag nog aannemen wat aan te nemen valt. Het felle Vlaamse protest tegen Filips uitspattingen is koren op de molen van Vlaams Belang en het zal beter werken dan tienduizend reclamepanelen van de partij. Bovendien weten bovenvermelde weduwtjes nu klaar en duidelijk dat Vlaams Belang niet alleen criminaliteit hard wil aanpakken, maar ook dat de partij helemaal niet zo enthousiast is over het bestaan van de monarchie.

Of de kokette dametjes hun vlaggetjes op zolder zullen opbergen, is lang niet zeker, maar of ze voor Vlaams Belang zullen blijven stemmen, valt minder te betwijfelen. In het stemhokje moet onze prins immers nog steeds de duimen leggen voor zijn taaiere naamgenoot uit Antwerpen.

Gepubliceerd in Blauwdruk, jaargang 32, 2004-2005, nummer 2.




De hervorming van de gevangenisstraf

Is de toepassing van de gevangenisstraf in zijn huidige vorm achterhaald? Het is een vraag waarover zowel liberale als linksere denkers en juristen zich al decennialang hebben gebogen, maar waarop tot op vandaag geen eensluidend antwoord is gevonden. Dat dergelijke zware bestraffing noodzakelijk moest worden ‘vermenselijkt’, besefte men nochtans al in de 19de eeuw: de Wet-Lejeune van 31 mei 1888 voorzag voor sommige gedetineerden die zich gedurende hun gevangenisstraf goed hadden gedragen de mogelijkheid om na één derde van hun straf vrij te komen. Op die manier hield men rekening met veroordeelden die spijt hadden van hun daad of die hadden bewezen dat ze het vrije leven in de maatschappij weer aankonden en verdienden. Meer dan een eeuw later lijkt het er echter soms op dat de klok van het strafrecht in 1888 is blijven stilstaan…

De Wet-Lejeune is vandaag nog steeds van toepassing, maar komt steeds vaker onder vuur te liggen. De huidige kritiek vanwege de bevolking die meer en meer met criminaliteit te maken krijgt (persoonlijk, zoniet ‘eenvoudigweg’ via de media), en zelfs van meer ervaren figuren uit het politie- of gevangeniswezen, viseert echter de verkeerde dader. Niet de Wet-Lejeune moet worden vernietigd of aangepast, wél het huidige gevangenissysteem. Het verwijt dat veel daders van een misdrijf na hun straf niet tot inkeer zijn gekomen, dat ze zich aan recidivisme hebben bezondigd of dat ze (mogelijks voorafgaand aan recidivisme) niet de mogelijkheden hebben gekregen om zich weer in het maatschappelijke leven in te burgeren, moet immers niet aan de Wet-Lejeune worden gericht - of kortweg aan een gevangenisstraf van te korte duur -, maar wel aan het tekort aan begeleiding van gedetineerden, aan de te beperkte hoeveelheid mogelijkheden die zij krijgen gedurende hun gevangenisstraf en zelfs aan het wezen van de gevangenisstraf zelf (wat dit laatste betreft, lijken er echter weinig of geen andere mogelijkheden te bestaan voor het bestraffen van zware misdadigers). De gevangenisstraf in zijn huidige vorm beperkt de mens dermate in zijn mogelijkheden, dat de manier waarop dit individu wordt gestraft amper nog conform is aan de liberale opvattingen over en de rechten van het individu. Volgens de liberale ideologie is het individu immers een communicatief en sociaal wezen, dat de mogelijkheden moet krijgen om zijn talenten en eigenheid (via contact met anderen en met de maatschappij) te ontwikkelen en verfijnen, zodat het kan participeren aan zijn maatschappij.

Veroordeelden tot een gevangenisstraf - vrijheidsberovend, m.a.w. het hoogste individuele goed ontnemend - verblijven echter in een zeer kleine ruimte, afgezonderd van de maatschappij (noem het gerust ‘gevangenschap’). Meer en meer slapen ze met te veel mensen in één cel, dit omdat er te veel veroordeelden zijn, zoniet te weinig gevangenissen (de zgn. ‘overbevolking’). Ze krijgen amper begeleiding, tenzij wat psychologische bijstand en hulp van de klassieke ‘aalmoezenier’. Het contact met de buitenwereld is beperkt tot het bepaalde aantal bezoeken dat ze op vastgestelde tijdstippen mogen ontvangen. Het lijdt geen twijfel dat een veroordeelde van een misdrijf, die na ettelijke jaren (maar soms ook na een korte) gevangenisstraf vrijkomt, vaak slechts met veel moeite weer aan het maatschappelijke leven zal kunnen deelnemen. Hij heeft geen job en weinig geld. Hij heeft geen gezinsleven, geen professionele of familiale banden kunnen opbouwen tijdens de periode van zijn veroordeling, of die relaties werden afgebroken door zijn veroordeling. Zijn leefwereld buiten de gevangenis zal ongetwijfeld ingrijpend zijn veranderd. Al deze redenen maken dat begeleiding ook na de beëindiging van zijn straf noodzakelijk kan zijn.

In de huidige situatie wordt de veroordeelde die zijn gevangenisstraf heeft uitgezeten zelfs na zijn vrijlating geconfronteerd met de gevolgen van zijn straf (eerder nog dan met de gevolgen van zijn misdrijf). Het bestaan van een bewijs van goed gedrag en zeden is het meest frappante voorbeeld hiervan. Het gebruik van dit getuigschrift toont aan dat de straf van een ex-gedetineerde jarenlang kan voortduren. Immers, welke werkgever is bereid ooit een ex-misdadiger onder zijn werknemers aan te stellen? De afschaffing van het bewijs van goed gedrag en zeden is dan ook een noodzakelijke voorwaarde voor het welslagen van een hervorming van het gevangenissysteem. Dat een gevangenisstraf voor een bepaalde termijn wordt uitgesproken, zelfs kan worden ingekort, zoals bij de toepassing van de Wet-Lejeune, bewijst dat deze straf per definitie eindig is. Het is o.i. schandelijk te noemen dat iemand die net een aantal jaren van zijn leven in een cel heeft doorgebracht om daarna opnieuw te kunnen deelnemen aan het maatschappelijke leven, nog steeds de gevolgen van zijn misdrijf moet blijven dragen, zelfs nadat hij de straf voor zijn misdrijf reeds heeft ondergaan.

Het lijkt erop dat we met dit schrijven medelijden willen opwekken met de gestrafte. Medelijden heeft echter niets met dit onderwerp van doen. De gevangenisstraf heeft immers geen vorm van boetedoening tot doel (hoewel dit in schril contrast staat met de mening van Jan met de pet: “hoe meer een misdadiger moet boeten voor zijn daden, hoe liever” - over Jan met de pet hebben we het later nog). Daarentegen dient een straf ertoe diegenen die de maatschappij voor het hoofd hebben gestoten, tot inkeer te brengen en hen in zekere zin opnieuw om te vormen tot burgers die conform de normen van de samenleving kunnen leven (alvorens het scenario van “A Clockwork Orange” de lezer voor ogen komt, toch even stellen dat het gaat om ‘klassieke’ begeleiding, psychologische bijstand, … met andere woorden ‘rehabilitatie’). De gevangenisstraf moet aldus een helingsmiddel zijn en geen wraakinstrument. Daar ligt net het probleem. Het zou belachelijk zijn te stellen dat de gevangenisstraf aan het begin van het derde millenium ook effectief een helingsmiddel is geworden. Mogelijks werkt de gedachte aan dergelijke bestraffing enigszins afschrikkend bij diegenen die van zins zijn een misdrijf te begaan of die reeds een gevangenisstraf hebben ondergaan, maar toch is het afschrikkende effect van dergelijke bestraffing zeker noch onfeilbaar (volgens sommige studies zelfs nihil). Is het verantwoord de afschaffing van het bewijs van goed gedrag en zeden - en dus de onvoorwaardelijke heropname van de ex-gedetineerde in de maatschappij - aan de twijfelachtige garantie van afschrikking te koppelen? Is het anderzijds verantwoord het getuigschrift te behouden, omdat de Staat er niet in slaagt de gevangenisstraf van een helend effect te voorzien?

Er zijn aan te moedigen evoluties in het strafrecht merkbaar. Het voorbeeld hiervan bij uitstek is de invoering van de werkstraf in het strafrecht, als alternatief voor de gevangenisstraf. Sinds 7 mei 2002 is het in België mogelijk daders van bepaalde misdrijven te straffen met een werkstraf van 20 tot 300 uren. Vaak is de taak die de daders moeten uitvoeren, geassocieerd met hun misdrijf. Zo werd bv. door het openbaar ministerie geëist twee Leuvense jongeren die flitspalen met aluminiumfolie hadden omwikkeld (of ik dat een zwaar misdrijf vind is een andere vraag!), een taak te laten verrichten bij slachtoffers van zware verkeersongevallen. Ook aan drugszaken gerelateerde misdrijven worden vaak met een dergelijke toepassing van de wetgeving omtrent de werkstraf bestraft. Niet alleen bewijzen ze de gemeenschap met hun opgelegde taken een dienst (zou bestraffing dan toch een zekere vorm van boetedoening zijn en a fortiori een wraakinstrument?), daarenboven leren de veroordeelden via het werk dat ze moeten leveren de mogelijke gevolgen van hun daden onder ogen zien. De mogelijkheid van een werkstraf voor daders van ‘kleine misdrijven’ als alternatief voor een gevangenisstraf is alvast een grote sprong vooruit: daders van een misdrijf worden efficiënter gestraft, en de overbevolking van gevangenissen wordt effectiever aangepakt. Het gebruik van een werkstraf in het strafrecht lijkt, iets meer dan twee jaar na zijn invoering, ook in de praktijk een succes te zijn: “Het Justitiehuis wijst niet alleen op de vlotte uitvoering van de werkstraffen, maar zegt ook dat het om een zinvolle strafervaring gaat: de taken zijn nuttig en worden binnen de samenleving uitgevoerd, niet via uitsluiting” (kunnen we trouwens uit deze laatste zin afleiden dat het Justitiehuis uitsluiting ook zinvol vindt, of niet?).

Daarenboven is sinds eind september 2000 ook het elektronisch toezicht (ET) aan de reeks strafrechtelijke maatregelen toegevoegd. Bepaalde gedetineerden krijgen dankzij ET de kans een deel van hun gevangenisstraf thuis uit te zitten, zij het onder controle via een enkelband. Het systeem is sindsdien erg geëvolueerd: niet alleen zijn de wijzen waarop de veroordeelden worden gecontroleerd, gemoderniseerd (via GPS-satellietverbinding), maar bovendien kan ET sinds onlangs ook als een autonome straf worden uitgesproken, zodat de veroordeelde niet eerst een gevangenisstraf moet ondergaan. De veroordeelden krijgen een strak tijdschema, waaraan ze zich stipt moeten houden, maar ze mogen hun woning verlaten, ze blijven hun sociale omgang bewaren en kunnen zelfs werken. Vier jaar na de ingebruikname van dit systeem zijn de evaluaties eveneens zeer positief (wat overigens mag blijken uit het feit dat ET nu ook een autonome straf kan zijn). Volgens Ralf Bas, hoofd van het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht, blijkt de Belgische aanpak zelfs beter te werken dan die van de buurlanden: “Het allerbelangrijkste is dat je de gedetineerde (…) veel beter kunt begeleiden om zich te reïntegreren in de maatschappij. Dat we daarenboven zo de overbevolking beheersen is mooi meegenomen. In alle landen waar ET bestaat, wordt vooral de nadruk gelegd op het controleren of die veroordeelde wel degelijk in zijn huis is. Wij leggen vooral de nadruk op de begeleiding en reïntegratie. In dat kader spreekt men binnen Europa van het Belgische model. Ik ben ervan overtuigd dat onze manier van werken een veel beter resultaat geeft inzake recidive, maar we hebben nog tijd nodig om dat wetenschappelijk te kunnen onderbouwen.”

Liberalen die het respect voor de ontwikkeling van het individu en de persoonlijkheid hoog in het vaandel dragen, moeten dringend verdere stappen zetten in de hervorming van het gevangenissysteem. Het staat immers als een paal boven water dat de vigerende praktijk bezwaarlijk effectief en zelfs amper nog menselijk kan worden genoemd. De recente acties van Staatssecretaris Vincent ‘Q’ Van Quickenborne om de toepassing van het bewijs van goed gedrag en zeden te beperken, zijn alvast stappen in de goede richting (overigens staat de volledige afschaffing bovenaan op het beruchte lijstje zijner XII Werken). Ex-Minister van Justitie Stefaan De Clerck stelde in juni 1996 al alternatieve straffen en een hervorming van het systeem voor, maar het voorstel werd - nadat De Clerck enkele maanden later ontslag moest nemen door de Dutroux-affaire - grotendeels op de lange baan geschoven. Elektronisch toezicht en werkstraffen maakten overigens deel uit van dat voorstel.

Misschien richten we onze aandacht in het licht van bestraffing te veel op de slachtoffers, terwijl die in deze context irrelevant zijn. Dat het slachtoffer ook begeleiding nodig heeft en dat de schade die hij heeft geleden op gepaste wijze moet worden vergoed, staat buiten kijf. De stelling dat de bestraffing van de dader noodzakelijk is in het ‘verwerkingsproces’ van het slachtoffer, lijkt echter uit een zeer kortzichtige redenering voort te spruiten. Vergeten we immers niet dat de bestraffing er in de eerste plaats op moet gericht zijn van de dader, die de storende factor in de maatschappij is geweest, zo snel en efficiënt mogelijk, maar bovenal met respect voor diens rechten, weer een stevige schakel in die maatschappij te maken. Het lijkt ons vanuit dat standpunt dan ook fijngevoeliger en wijzer te stellen dat het slachtoffer zijn bevrediging haalt uit het doel en de gevolgen van de bestraffing van die zwakke schakel, eerder dan uit het feit dat hij wordt gestraft op zich.

Hoe kan de gevangenisstraf in praktijk helend werken en biedt psychologische begeleiding hiertoe voldoende garantie? Dat is een vraag waarop we moeilijk een ondubbelzinnig antwoord kunnen geven, en als we dat al proberen, zorgt voornoemde Jan met de pet op tijd voor het nodige teruggefluit. Immers, zolang het taboe dat op straffen en bestraffing rust, en dat gegroeid is uit de afkeer van de burger tegen alles wat met criminaliteit te maken heeft, niet wordt opgeheven, zal die burger niet bereid zijn te betalen voor de bijstand van gevangenen. En dat is mogelijks het moeilijkste onderdeel van een hervorming van het gevangeniswezen: probeer de man in de straat maar eens te overtuigen meer geld te spenderen aan de begeleiding van een gedetineerde… Het is echter noodzakelijk de gewone burger gevoeliger te maken voor een aantal essentiële beginselen van het strafrecht. Het belangrijkste hiervan met betrekking tot deze tekst is ongetwijfeld het feit dat wie zijn straf heeft uitgezeten, niet langer een dader van een misdrijf is en dan ook als een normaal functionerende burger in de maatschappij moet worden opgenomen. De burger moet dus beseffen dat de gevangenisstraf geen manier van wraak nemen is, maar daarentegen een noodzakelijk kwaad (is, zoniet moet worden), dat ertoe dient de gevangene in zekere zin te rehabiliteren. Het zal ongetwijfeld veel tijd en moeite kosten om die manier van denken op de bevolking over te dragen… Pas daarna zal sprake kunnen zijn van een verdere liberalisering, dan wel humanisering van het gevangeniswezen. Bovendien zal er ongetwijfeld nog veel meer tijd over gaan om ons huidige gevangenissysteem zodanig te hervormen, dat een misdadiger ook effectief opnieuw tot een normale burger wordt omgedoopt…

We moeten toegeven dat - vooral voor zware misdadigers - nog steeds weinig, zoniet geen straffen te bedenken zijn, die als alternatief kunnen gelden voor de gevangenisstraf. Voor daders van lichtere misdrijven is het echter noodzakelijk alternatieven als de werkstraf of het elektronisch toezicht als regel te hanteren, en de gevangenisstraf als uitzondering. Bovendien moet elke veroordeelde de kans krijgen bij de beëindiging van zijn gevangenisstraf opnieuw als volwaardige burger aan het maatschappelijke leven te kunnen deelnemen. Reeds tijdens en ook na zijn opsluiting moet de gedetineerde hiertoe een gepaste begeleiding kunnen genieten en bovendien kunnen verblijven in een gevangenis waarin zijn rechten als individu worden gerespecteerd. Een vrijheidsberoving zonder meer is immers nutteloos en onaanvaardbaar, zowel vanuit het oogpunt van de veroordeelde als vanuit dat van de maatschappij, en dat moet ook de belastingbetaler beseffen.

Onderstaande lijst is ongetwijfeld te kort om te kunnen pretenderen volledig te zijn. Ze somt echter een viertal essentiële regels op die in acht moeten worden genomen bij de hervorming van het gevangeniswezen.

- Blijvende toepassing van de werkstraf en elektronisch toezicht als doeltreffende alternatieven voor een gevangenisstraf en om de overbevolking tegen te gaan;
- menswaardige opsluiting en respectvolle behandeling van gedetineerden, in geval van vrijheidsberoving;
- betere begeleiding voor gevangenen, vooral aan het einde van de straftermijn, zodat de gedetineerde weer als individu kan deelnemen aan het maatschappelijke leven, en indien noodzakelijk moet deze bijstand blijven verderlopen nadat de straf zijn einde heeft genomen;
- volledige afschaffing van het gebruik van het bewijs van goed gedrag en zeden, zodat de straf geen verdere uitwerking heeft dan die welke in de veroordeling van de dader werd bepaald.

Eindversie op donderdag 25 november 2004

Gepubliceerd in Blauwdruk, jaargang 32, 2004-2005, nummer 2.


Wet-Dupont - toegevoegd op 6 december 2004

Bij schrijven was het wetsvoorstel-Dupont (intussen Wet-Dupont) mij nog niet bekend. Deze nieuwe wet brengt heel wat veranderingen in het huidige gevangenissysteem, dat totnogtoe door meer dan 150 omzendbrieven werd bepaald en een ruime keuzevrijheid aan de gevangenisdirecteurs toeliet. De wet probeert vooral de rechten van de gevangene (tweede punt van mijn conclusie) duidelijk vast te leggen. Zo wordt het dragen van een gevangenisplunje afgeschaft en krijgen de gevangenen een normaal loon voor hun werk (terwijl dat voorheen, bv. in de gevangenis van Ieper, ongeveer 80 frank per uur bedroeg).

De gevangenen krijgen een minder strikt bezoekersregime en de modaliteiten voor het tijdelijk verlaten van de gevangenis worden minder zwaar.

Wat nog op het programma staat in de komende jaren (eigenlijk al meer dan 20 jaar) is in de eerste plaats een afschaffing van de levenslange gevangenisstraf - vervangen door maximum 20 jaar. Begeleiding vanaf het beginnen van de vrijheidsberoving en verdere uitbreiding van de voorwaarden voor werkstraf en elektronisch toezicht behoren eveneens tot de toekomstige mogelijkheden.


Elektronisch toezicht - toegevoegd op 26 augustus 2004

Tot op heden bestaat er geen (formeel-) wettelijk kader voor ET. Alle bepalingen werden totnogtoe geregeld via ministriële omzendbrieven. De laatste noemenswaardige aanpassing dateert van 9 augustus 2002 - omzendbrief nr. 1746.