Het Centrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding (CGKR) heeft er een nieuwe zondebok bij. Toen Paul Beliën in een (intussen verwijderd) opiniestuk omtrent de moord op Joe Van Holsbeek de allochtone daders “roofdieren” noemde, die “van kleinsaf [...] tijdens het jaarlijkse offerfeest [hebben] geleerd hoe ze warmbloedige kuddedieren moeten kelen” werd tegen hem een klacht ingediend wegens racisme op het internet. Tegenwoordig kan dat anoniem via de recentelijk opgerichte Cyberhate-website van de overheid.
Velen zullen het verwonderlijk vinden dat de uitspraken van Beliën in de Verenigde Staten als betrekkelijk banaal worden aanzien. Het is voor hen ook moeilijk te vatten dat organisaties als de KKK of neo-nazistische groeperingen in de Verenigde Staten zich probleemloos op het recht op vrije meningsuiting kunnen beroepen, terwijl dit in Europa ondenkbaar is. Vandaar ook dat de klacht tegen Beliën in Amerika nauwgezet wordt gevolgd: recentelijk verscheen een opiniestuk in The Washington Post waarin felle kritiek werd geüit op de Belgische inperking van de vrije meningsuiting. (Toch even verwijzen naar de McCarthy witch-hunts en de huidige houding tegenover terrorisme: Amerika heeft evenmin een schoon geweten inzake vrije meningsuiting.)
De reden van het verschil tussen het Europese en het Amerikaanse recht op vrije meningsuiting is historisch te verklaren. Terwijl in de Verenigde Staten al enkele eeuwen een absoluut recht op vrije meningsuiting bestond, zijn gelijkaardige grondrechten in Europa pas effectief geworden na de Tweede Wereldoorlog. Ze werden vastgelegd in het EVRM, samen met andere rechten en vrijheden, met als doel elke Europese burger voorgoed voor de racistische verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog te behoeden. Het zou dan ook contradictorisch zijn, mocht iemand zich op het recht op vrije meningsuiting kunnen beroepen om discriminatoire uitspraken te mogen doen (het EVRM bepaalt overigens uitdrukkelijk dat dergelijk rechtsmisbruik niet toegelaten is).
De strikte naleving van de racismewetten in ons land, en de implicaties daarvan voor het recht op vrije meningsuiting hebben ook een politieke oorzaak: ze worden gebruikt als instrumenten bij uitstek om Vlaams Belang van de macht te weerhouden. Elke mening die volgens de overheid deviant of politiek-incorrect is, kan ermee worden bestraft.
Het recht op vrije meningsuiting moet echter absoluut zijn. Censuur en gedachtenpolitie zijn in een vrije, democratische maatschappij onaanvaardbaar. Bewustzijn is de kern van het mens-zijn. Het niet kunnen uiten van de gedachten die eruit ontstaan is een flagrante schending van mensenrechten. Ook als die mening bepaalde gevoelige punten in een maatschappij blootlegt, kan deze niet verboden worden. Wel integendeel, kritiek moet worden aangewend om maatschappelijke debatten op gang te brengen.
Bovendien wordt racisme niet opgelost door een beperking van de vrije meningsuiting: een gevangenisstraf of een geldboete verandert helemaal niets aan de mening van een persoon. Siegfried Verbeke gelooft vandaag nog steeds dat er geen holocaust is geweest. Filip Dewinter staat nog steeds achter het klassieke Vlaams Blok-programma. En Paul Beliën zal, indien het tot een veroordeling komt, na afloop van zijn straf nog steeds dezelfde mening hebben over de daders van de moord op Joe Van Holsbeek.
De bepalingen van het EVRM zijn overigens vooral van toepassing op de verhouding tussen de overheid en zijn onderdanen (zgn. verticale werking). Tot op vandaag zijn juristen het niet eens over de vraag of de grondrechten van het EVRM ook tussen burgers onderling gelden (horizontale werking). Het naleven van enkel de verticale werking zou inderdaad een nieuwe holocaust kunnen voorkomen: de overheid mag, o.g.v. het EVRM immers niet discrimineren.
Aan het EVRM enkel verticale werking toekennen, zou dus best wel een goede oplossing kunnen zijn. Enerzijds wordt het doel van de grondrechten niet miskend: indien de overheid niet mag discrimineren in haar handelen en in het uiten van haar mening, kan ze onmogelijk de vervolging van een bepaalde groep mensen op poten zetten. Een dergelijke interpretatie doet dus geen afbreuk aan het doel van de wet. Bovendien krijgt de overheid zo een voorbeeldfunctie, eerder dan de huidige situatie waarin de overheid een sanctie-orgaan is. Anderzijds blijft bij een verticale werking het recht op vrije meningsuiting (en alle grondrechten van het EVRM) absoluut geldig voor de burgers zelf, zonder enige beperking.
Het doel van de beperking van de vrijheid van meningsuiting, nl. racisme bestrijden, is nobel. Racisme is verwerpelijk, het oordelen over mensen op basis van hun afkomst, geaardheid of geloof onaanvaardbaar. Het middel om racisme te bestrijden, nl. de beperking zelf van het individuele recht op vrije meningsuiting, is echter efficiënt noch acceptabel. Racisme bij burgers kan immers niet worden bestreden met wetten en straffen. Het moet vanzelf uit een gezonde, vrije maatschappij verdwijnen.
In 