Archive




Agressie bij De Lijn

De Lijn Dinsdag 17 oktober 2006. Een goede vriendin van me neemt even voor 8 uur ’s morgens de bus in het centrum van Brugge. Ze is niet lang uit bed en trekt een blikje cola open in de hoop sneller wakker te worden.

Aan de eerstvolgende halte - ze zit geen volle twee minuten op de bus en is zich van geen kwaad bewust - stopt de chauffeur, en dwingt haar tot haar verwondering uit te stappen: flesjes op de bus worden door hem nog net getolereerd, maar blikjes niet, zo stelt hij…

Mijn vriendin weigert eerst uit te stappen. Ze heeft voor de rit betaald en bovendien maakt ze zowat dagelijks gebruik van De Lijn: met een blikje drank, en zonder het gezeur. De verzuchtingen van de mede-reizigers doen haar ondanks enig protest toch de bus verlaten. Bovendien beweert de chauffeur dat het reglement van De Lijn het gebruik van blikjes op de bus verbiedt. Moeilijk om daar tegenin te gaan: heeft iemand ooit het reglement van De Lijn doorgenomen?

Uiteraard niet. De Lijn heeft een monopolie en beslist autonoom, dus wat doet zo’n reglement ertoe.

Luttele minuten later stopt de volgende Lijnbus - de halte bevindt zich in het centrum en er komen dus veel lijnen voorbij - en de chauffeur laat mijn vriendin, en het omstreden blikje, zonder probleem instappen.

Dus wat doet zo’n reglement ertoe.

Wanneer ze aan het station van Brugge uitstapt, staat het ACW er badges uit te delen voor meer verdraagzaamheid jegens de Lijn-chauffeurs…

De ombudsdienst van De Lijn heeft beloofd haar op de hoogte te houden. En ik, op mijn beurt, beloof u op de hoogte te houden: wordt vervolgd.

In de tussentijd roep ik alle chauffeurs van De Lijn op tot kalmte en meer verdraagzaamheid jegens de reizigers.




Was wollen wir trinken, sieben Tage lang: een week Rheinland-Pfalz in een notendop

Rheinland-PfalzNa een zware periode van herexamens pleegt een mens te snakken naar een weekje uitgebreid ontspannen. Nathalie, Stijn, Bram en ik trokken naar het noordwesten van de Duitse deelstaat Rijnland-Palts, het Duitse landgebied dat zich vlakbij de grens van België en Luxemburg bevindt, middenin het prachtige Eifelgebergte dat wordt gekenmerkt door veel groen, reusachtige meren, grenzeloze Duitse gastvrijheid, rust en kalmte.

Hieronder vind je een uitgebreid verslag van deze aanrader, met tekst en beeld van dag tot dag!

Dag één: aankomst in Duitsland, Aachen, Gemünd, Köln

Dom van AkenWe vertrekken in Leuven op zaterdag 16 september rond 15u15. De weergoden zijn ons gunstig gezind: het is een heerlijk weertje. Aankomst in Duitsland om 16u15, om meteen de autosnelweg te verlaten en in Aken aan te komen rond 16u30. We picknicken op enkele tientallen meter van de in 1257 gebouwde Marschiertor, die een van de grootste bewaarde stadspoorten van West-Europa is. Daarna wandelen we eventjes het vrij kleine, maar gezellige centrum van Aken binnen. Zowat alle stadskernen van grootsteden in het Rijnland zijn grotendeels verkeersvrij. Dat zorgt ervoor dat elk stadscentrum gevuld is met terrasjes, zo ook het plein dat de indrukwekkende dom van Aken omringt. Omdat we nog ver van onze bestemming zijn, beperken we ons bezoek tot een wandelingetje rond de dom, en uiteraard de eerste größer Bitburger van ons tripje, op een terrasje in de schaduw van het Akense Rathaus. Een leuke Sehenswürdigkeit in deze gezellige stad is Hünerbein, naar verluidt een van de grootste modelbouwwinkels (voor treinen) van Duitsland. De winkel bevindt zich op de Markt van Aken. Vergeet overigens niet dat de meeste Duitse winkels op zaterdag ten laatste om 16u dichtgaan.

RurseeKort na 18u00, we zijn dan nog op enkele kilometers van onze verblijfplaats, ontdekken we voor het eerst de pracht van deze streek. Vanop de autoweg zien we ver in de diepte een schitterend meer liggen, de Rursee. We houden er even halt voor enkele foto’s en een wandelingetje door de uitgestrekte velden in dit gebied. Ook de echo is van de partij en houdt zijn imitatie van onze geluiden bijna drie seconden lang vol… (Zie ook het recentste knipoogje.)

Rond 19u00 komen we aan in Gemünd, een klein dorpje dat behoort tot de stad Schleiden. Gemünd bevindt zich ongeveer in het midden van alle bezienswaardigheden in deze streek: in vogelvlucht bevinden pakweg Aken, Keulen, Bonn, Prüm, Bitburg en Luxemburg zich allemaal op maximum 80 km afstand. Gelukkig zijn de Duitse wegen van vrij goede kwaliteit, want veel autosnelwegen zijn er in deze streek niet. Verkeersborden zijn er in overvloed - van de 20 miljoen Duitse verkeersborden moet er in de komende jaren zelfs een derde weer verdwijnen -, zodat je ook langs de kleinste landwegjes probleemloos je bestemming terugvindt.
Ons appartement bevindt zich op de Salzberg in het naar deze heuvel genoemde Ferienwohnpark. Je voelt je er snel thuis: de flatjes zijn gezellig ingericht, hebben een grote keuken, veel verlichting, ruime kamers en veel opbergplaats, op z’n Duits dus. Bovendien kijkt het buitenterras uit op het berglandschap van deze streek. De verstikkende duisternis die ’s nachts over de omringende velden neerdwaalt, heeft onze Vlaamse contreien al jaren geleden verlaten…

Het voordeel voor iemand die, zoals ik, een totale leek in de keuken is, is dat je je ongegeneerd mag laten verwennen door keukenprinses en -prins Nathalie en Stijn. Men verleent je dit privilege onder de voorwaarde dat je afwast en de tafel dekt - en zeg nu zelf: over zo’n beslissing hoef je niet lang na te denken…

Hoewel we na het eten (en dus de afwas) allemaal doodmoe zijn, beslissen we om op deze zaterdagavond toch nog de auto in te stappen en naar Keulen te rijden, dat zich in de naburige deelstaat Nordrhein-Westfalen bevindt. We vertrekken pas om 22h30 en komen iets voor middernacht in de grootstad aan. Wie in Keulen een parkeerplaats wil vinden, slaat het best een zijstraatje van de Ring in. Het centrum binnenrijden is een onmogelijke opdracht, en wie zijn auto in de buurt van de Rijn plaatst, bevindt zich sowieso op korte wandelafstand van de Keulense dom.

KeulenEn die dom, mogelijks een van de bekendste ter wereld, mag er wezen. Een indrukwekkend gebouw, dat momenteel voor restauratie in de steigers staat. De dom is door jarenlange uitstoot van uitlaatgassen, mede door de aanwezigheid van het station op amper 100 meter, bijna zwartgeblakerd. Jammer, want de omvang en grootte van het gebouw zouden nog meer imponeren na een flinke poetsbeurt…

Op de panoramische foto kun je een aantal van de belangrijkste plaatsen zien, die we hebben bezocht. Op (1) stonden we geparkeerd. Het musical-theater van Keulen bevindt zich op (2), het station op (3) en de dom van Keulen op (4).

Wat je op de foto ziet, is what you get: Keulen is een zeer drukke, bijna chaotische grootstad, waar ook na middernacht veel volk op de baan is. Keulen is ook vrij vuil, de mensen zijn er meer gehaast en veel minder vriendelijk dan in Rijnland-Palts. Opvallend is dat er weinig van onze leeftijdsgenoten op de baan zijn: de gemiddelde uitgaansleeftijd lijkt hier boven de 25 te liggen. We mogen ook proeven van het chauvinisme van de Keulenaar: cafés serveren hier bijna alleen de Kölschner Pils, en wanneer uit de boxen van een druk bezocht danscafé de hymne van FC Köln weerklinkt, lijkt Duitsland weer eventjes te klein voor zoveel enthousiast geweld…

Verder is Keulen helemaal niet zo indrukwekkend. Gelukkig vinden we in de binnenstad een gezellig cafeetje waar een robot-accordeonist - Günther genaamd - de bezoekers tot een gat in de nacht weet te verleiden tot een zangfeest waarbij elke Leuvense cantus verbleekt. Veel van de Duitse liederen hebben een Nederlandstalige dubbelganger, of hebben we op cantussen gezongen. Op de menu-kaart lezen we dat een van de specialiteiten de naam “Dicke Pitter” draagt. Nadat we met ons onbedaarlijk gelach zijn opgehouden, beslissen we op zoek te gaan naar de betekenis van deze naam.

Om 2u00 houden we ‘t bij Günther voor bekeken. In een nachtwinkel halen we enkele halve liters Bitburger en daarna gaan we aan de oevers van de Rijn zitten, voor het theater (zie (2) op de foto). Meer moet het niet zijn: rust, nacht, een brede rivier waar zelfs op dit uur nog een enkele boot voorbijkomt. En een Duits biertje.

Iets na 4u komen we weer in Gemünd aan. Dag één zit erop.

Dag twee: de thuisstreek verkennen, mini-golf, Einruhr, K7

BramNa lang zoeken slagen we erin brood te vinden voor ons ontbijt. Ongesneden weliswaar, want op zondag gebruikt de bakker zijn snijmachine niet. Even voor de middag gaan we mini-golfen in het centrum van Gemünd. De golfbaan ligt aan een uitloper van het Nationalpark Eifel, waarover we straks nog schrijven. De baan is 45 jaar oud, zo weet de uitbater ons te vertellen. Hij is er zelf als kind nog komen spelen. Bram verslaat ons allemaal met de vingers in de neus. Meer wil ik bijgevolg ook niet over het mini-golfen kwijt: de herinnering aan het verlies ligt me nog te vers in het geheugen…

RurmeerDaarna rijden we naar Einruhr, het dorpje dat in het Rurdal aan de Rursee ligt. De weerspiegeling van Einruhr in het meer levert ’s avonds prachtige beelden op. Einruhr is vrij toeristisch: je kunt er het Rurmeer bevaren met toeristische boot. Je kunt er ook een ritje maken tussen Einruhr en Erkensruhr met een authentieke postkoets. Overigens nog even waarschuwen dat je Einruhr het best met de wagen bezoekt: tanks zijn in het dorp niet toegelaten (zie foto).

Einruhr Terrasje in Einruhr
Na een terrasje in dit gezellige, kleine gemeentje gaan we terug naar ons appartement voor een uitgebreid aperitief. Daarna beslissen we om wat rond te wandelen in de omgeving van ons appartement. Gemünd is, zoals ik eerder al schreef, zeer rustig, heel groen en behoorlijk klein. Net buiten de dorpskern ligt ook een jeugdherberg.
Bram, Hans, Nathalie, Stijn, Helmuth, Nathalie, WillemDoor een speling van het lot (lees: een volle blaas) ontdekken we de “K7″, een typisch Duits volkscafeetje, niet al te ver van het Gemündse centrum. We ontmoeten er de lieve café-Cheffin Nathalie, haar zoon Michel en Helmut, een van de vaste klanten van de K7. Wanneer de Duitsers vernemen dat we erin geslaagd zijn een gitaar over de Duitse grens te smokkelen, weten ze met hun plezier geen blijf: nadat ze weinig hebben moeten aandringen, gaan we in op de uitnodiging de volgende avond een mini-schlagerconcertje voor hen te geven.

Ook in de K7 weet niemand ons te vertellen wat “Dicke Pitter” is. Dat die naam in het Nederlands toch “ein bisschen erotisch” is, leidt niettemin voor de tweede avond op rij tot hilariteit alom, ook bij de sympathieke café-gasten. Wie zei daar ook alweer dat Duitsers niet kunnen lachen?? (Oh ja, dat was ikzelf…)

Dag drie: rustdag, K7-concert

Van de derde dag maken we gretig gebruik om uitgebreid uit te rusten. In Duitsland is relaxen alleen maar toegestaan als je er voldoende zweet voor overhebt: een Duits Ferienpark zonder sauna is als een Vlaams café zonder bier en we genieten dan ook met volle teugen van de voetbadjes, de koudwaterdouche en de vrij ruime sauna. Vrouwen en mannen gebruiken de sauna’s in Duitsland samen, een concept dat ondergetekende alleen maar kan toejuichen. Mis na 20 minuten afzien in de hitte niet het genot van een ijskoude douche of een sprong in het koudwaterbad: je kunt erna de hele wereld aan.

Nathalie verwent ons ’s avonds met een heerlijke maaltijd, zodat we er in de K7 stevig tegenaan kunnen gaan. Het concertje verloopt die avond beter dan we ooit hadden durven hopen. We blijven tot laat in de nacht doorspelen, het bier vloeit rijkelijk, maar de rekening wordt niet hoger: de café-gasten en zelfs het huis trakteren ons één voor één, zolang we maar hun verzoeknummers spelen. Gelukkig kennen onze Duitse vrienden naast “Was wollen wir trinken” en “Verdammt ich lieb’ dich” nog modernere muziek… En ook de nummers van Silk Road vallen in de smaak!

Dicke PitterEen nieuwe kennis, de plaatselijke ondernemer Hans, vertelt ons dat Dicke Pitter de grootste klok van de Keulense dom is. Deze kanjer weegt bijna 25 ton en heeft een diameter van net geen 3,5 meter. Een interessant weetje, dat wel, maar we hadden op een humoristischer antwoord gehoopt. Zouden die Duitsers dan toch geen gevoel voor humor hebben?

Het feestje duurt tot in de late uurtjes. Wanneer we die nacht naar huis wandelen, ontdekken we in de duisternis de Melkweg, recht boven ons terrasje. Het is de allereerste keer dat ik zo’n enorme massa sterren zie. De hemel met die ontelbare hoeveelheid sterren is in dit gebied echt bijzonder indrukwekkend.

Dag vier: Phantasialand

PhantasialandGedurende de voorbije twee dagen was het weer vrij miezerig. Er was amper zon te zien en de temperaturen haalden net de 20 graden niet. De Duitse tv voorspelde echter enige verbetering en op deze dinsdag leek het ons dan ook ideaal een bezoek aan het themapark Phantasialand te brengen. Rond 10u30 komen we bij het park aan. We hebben juist gegokt: er loopt bijna niemand in het park rond, en de wachttijden aan elke attractie zijn nooit hoger dan enkele minuten!

We zijn al sinds 8u30 uit bed en na het concert van de dag ervoor zijn we allemaal alles behalve uitgeslapen. In Phantasialand heeft men daarvoor een eenvoudige oplossing: de Black Mamba. Deze nieuwste attractie in het pretpark is een razendsnelle rollercoaster die je langs rotsen, vijvers en bomen slingert. Volgens de website van Phantasialand passeer je op sommige ogenblikken op amper 50 cm van de rotsen (een geluk dat ik dat op voorhand niet wist). Een ritje duurt amper 40 seconden, en neem het van ons aan: dat is lang genoeg - én je bent klaarwakker!

Phantasialand Phantasialand

Phantasialand is simpelweg prachtig! De decors zijn zeer verzorgd, het park is kraaknet en goed onderhouden. Elke attractie heeft een specifiek thema en dat wordt met mechanische poppen, muziek en licht, affiches en schilderijen, en zelfs bijhorende kleding voor de medewerkers van elke attractie duidelijk gemaakt. Ook schitterend is de manier waarop de verschillende attracties in elkaar verweven zijn: als je het water wil trotseren op de Splash, zie je tijdens het ritje de houten rollercoaster boven je hoofd passeren. Phantasialand is bovendien vrij groots: dobbertonnen en rollercoasters worden met liften omhoog gehesen, er zijn een zevental rollercoasters en twee waterattracties. Eén van die rollercoasters zit binnenin een gebouw, en gaat dwars door muren van de ene naar de andere ruimte, doorheen dubbele wanden, duistere ruimtes, … Op sommige attracties speelt Phantasialand echt met je waarnemingsvermogen, bv. net wanneer je je schrap zet voor een vrije val naar voren, valt je karretje zijwaarts naar beneden (bovendien neemt men uitgerekend op dit moment een foto…). Ook het oog voor detail van de bedenkers van de attracties dwingt respect af: een grote draaikolk bij de dobbertonnen, het ontwerp van de gebouwen, …

Phantasialand Phantasialand

Om 17u hebben we er genoeg van, niet omdat we moe zijn, maar wel misselijk…

’s Avonds schotelt Stijn ons een heerlijke gezonde maaltijd voor. We zijn allemaal kapot en gaan vroeg slapen, nadat we met een vijgenschnapps op een zalige dag hebben geklonken.

Dag vijf: Bonn

Na een lange nacht en een stevig ontbijt vertrekken we naar Bonn. We komen rond de middag aan en parkeren aan de Beethovenhalle - Ludwig van Beethoven werd in 1770 in deze stad geboren -, net buiten de Altstadt. Op enkele minuten wandeltijd ligt het geboortehuis van de componist, vlakbij de gezellige winkelstraatjes in het historische stadsgedeelte van Bonn. Beethoven was afkomstig van Mechelse grootouders, zo blijkt sinds een twintigtal jaar uit geboorteregisters; alle naambordjes in de stad werden dan ook aangepast van “von” naar “van Beethoven”.

Universiteit BonnIn deze stad bezoeken we de universiteit, die in een schitterend gebouw is gehuisvest. In het universiteitspark genieten we even van de zon die zich eindelijk weer laat zien. Daarna gaat het richting botanische tuin.

We beslissen met de wagen een andere kant van het centrum te bezoeken. Op de terugweg naar de auto stappen we even een sex-shop binnen - we zijn nu eenmaal in Duitsland, Mekka van de pornografie. Gelukkig slaagt Nathalie erin het hoofd koel te houden, en sleurt ze ons na enkele minuten alweer de winkel uit, zodat we van elke vorm van decadentie gespaard blijven. Of misschien lag de blik van de winkeluitbaatster aan de oorzaak daarvan: snel bleek dat haar shop volgens haar geen toeristische trekpleister is.

Nadat we de auto aan de andere kant van de stad hebben geparkeerd, worden we in een kleine hotelbar verwend met Beiers Erlinger-witbier en nacho’s. Onze honger is echter niet te stillen en de MacDonald’s is gelukkig in de buurt.

Kaffee BlauNa een korte wandeling zetten we ons rond 23u met gitaar in een van de wandelstraten in het centrum van Bonn. Tien nummers later hebben we een bedrag bijeengespeeld waarvoor ondergetekende meer dan drie uur in Kinepolis moet werken… Zei ik al dat de Rheinlanders zeer vriendelijk zijn?

Verder is Bonn zeer gezellig en - zoals de meeste gemeenten en steden die we op deze reis zien - kraaknet. Alleen lijkt de stad een beetje te zijn ingeslapen. “Saai”, zei men in de K7, maar zo ver zou ik niet gaan - misschien vinden de studenten dat wel. Sinds de hereniging van Duitsland zijn alle staatsorganen immers weer naar Berlijn verhuisd, zodat Bonn in principe niet veel betekenis meer heeft voor Duitsland.

We eindigen de avond in Kaffee Blau, het studentencafé bij uitstek. Rond 1u00 zijn we in Gemünd terug. Bram en ik drinken nog een Bitburger op ons terras. Voor de allereerste keer in mijn leven zie ik vallende sterren.

Mijn wensen zijn nog niet uitgekomen.

Dag zes: Bitburg, Biersdorf, Clervaux/Clerf, Dreiländerpunkt/Trois Frontières

Ook op de voorlaatste dag van ons verblijf gunnen we onszelf geen seconde rust. Het traject van vandaag telt een slordige 300 km.

In Bitburg bevond zich tot vrij kort een grote militaire basis. Toen de militairen enkele jaren geleden verhuisden naar een naburige basis, heeft de stad veel aan belang moeten inboeten. Gelukkig heeft Bitburg nog zijn in 1817 opgerichte Bitburger-brouwerij. De Bitburger is het meest getapte biertje van Duitsland en wordt “nach Deutschem Reinheitsgebot” gebrouwen. Dat betekent dat enkel de drie natuurlijke ingrediënten van bier worden gebruikt: water, gerst en hoppe. Wat na de productie overblijft, is een licht, bitter, karaktervol en dorstlessend pintje. Het kan aan mijn fanatieke liefde voor Rheinland-Pfalz liggen, en niet aan objectieve redenen, maar ik ben gek van de Bitburger.

Een rondleiding doorheen de brouwerij duurt bijna 3 uur, kan zowel in het Duits als in het Engels verlopen, en kost slechts 5 euro. We hebben de rondleiding niet gevolgd, bij gebrek aan tijd.

In Bitburg zelf valt niet meer veel te beleven. De sfeer in het stadje is gemoedelijk, en zoals overal is het heel netjes en kalm in de binnenstad. We proeven er van de plaatselijke specialiteiten: schnitzel of haantje (Hänchen) met een fris slaatje en uiteraard een groot glas Bitburger.

BiersdorfDaarna rijden we een tiental kilometer verder naar Biersdorf am See, een piepklein dorpje vlakbij Rittersdorf. Vlakbij het meer ligt het vakantiedomein Dorint, waar ik eerder al met mijn ouders en met LVSV Leuven verbleef. De zon laat ons niet in de steek wanneer we even aan het meer uitrusten. En hier is de echo mogelijks moediger dan deze aan de Rursee: enkele seconden lang herhaalt hij feilloos de beledigingen aan zijn adres; vermoedelijk heeft men tot in Rittersdorf onze bedenkingen opgevangen…

Na een korte wandeling rijden we naar Clervaux in Luxemburg.

Doel van deze laatste rit is onze voorraad drank en sigaretten aanvullen, en tanken. Sigaretten waren tot voor enkele maanden goedkoper in Duitsland dan in ons land, maar tegenwoordig kost een pakje van 24 sigaretten bijna een euro meer dan een pakje van 25 bij ons.

Our Clervaux
Pas rond 18u00 steken we de Our, de natuurlijke grens tussen Duitsland en Luxemburg, over en de zoektocht naar een geopende winkel lijkt eeuwig te duren. Pas meer dan een uur later vinden we in Hosingen een tankstation dat nog open is. Tussendoor zijn we aan een winkelcentrum gestopt waar Bram en ik enkele maanden daarvoor ook tijdens een (ander) LVSV-weekend hadden geshopt. Nutteloos detail, maar wel een heel groot toeval…

Monument DrielandenpuntWe rijden naar huis via het Drielandenpunt, waar de grenzen van België, Duitsland en Luxemburg samenkomen. Op deze plaats staat een Europees monument dat herinnert aan de oprichting van de unie van Europa. De ondertekenaar voor ons land was, zo leert het monument ons, toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Paul-Henri Spaak.

Om 21u30 komen we thuis. Net op tijd voor nog een sauna-beurt.

Dag zeven: Nationalpark Eifel

Op deze laatste dag van de reis beslissen we het natuurreservaat rond Gemünd te bezoeken. Dit stuk van het Nationalpark Eifel was tot voor kort militair domein. De Belgische en Duitse militairen kwamen er geregeld voor oefeningen. Sinds nieuwjaar is het park vrij toegankelijk - althans voor wie de aangeduide paden volgt. Blijkbaar bevindt zich op het domein nog veel militair materiaal, en mag men om die reden de bossen en velden niet betreden. Dat komt goed uit voor de 230 bedreigde planten- en diersoorten die in het park wonen.

Middenin de bossen ligt de Urftsee, een 14km lang meer met een indrukwekkend grote stuwdam (Duitsers noemen die de Urftseestaumauer of Urfttalsperre… Ik houd het bij “dam”.). De dam werd gebouwd tussen 1900 en 1905 en is vandaag dus meer dan 100 jaar oud. De constructie overleefde quasi zonder enige schade zelfs de gerichte bombardementen van de geallieerden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het is quasi onmogelijk de omvang van dit bouwsel op foto vast te leggen.

Aan de overkant van het meer ligt een klein cafeetje waar we ons laten verleiden door het laatste terrasje van deze reis.
Urftseestaumauer
Op de terugweg dagen we elkaar nog wat uit verder te stappen naar Vogelsang, waarvan we denken dat het “slechts” een militaire kazerne is.

’s Avonds vergaat het lachen ons snel: in de K7 vertelt Hans ons dat Vogelsang onder het nationaal-socialisme een opleidingsschool was voor Hitlers elitetroepen. Het toenmalige project heette in de volksmond Napola en officieel NPEA of “Nationalpolitischen Erziehungsanstalten”. Op de site bevindt zich een groot internaat, sportzalen, zwembaden, … Er zijn, behalve Vogelsang, slechts twee gelijkaardige scholen van een dergelijk hoog niveau opgericht in het Derde Rijk (in Pommern en in Polen). Toen de nazi’s steeds meer terrein verloren in Duitsland, besliste Hitler de 40000 Napola-studenten (ook uit scholen van lager niveau) naar het front te sturen - voor sommigen van hen waren zelfs geen wapens meer. Meer dan de helft van de jongelui werd gedood.

Hans vertelt hoe hij er als zesjarige jongen één keer met school ging zwemmen en zich nog herinnert hoe een reusachtig hakenkruis de bodem van het zwembad “sierde”. Met zijn 100 ha oppervlakte zou Vogelsang bovendien het tweede grootste overblijvende nazi-gebouw ter wereld zijn. Pas sinds dit jaar is Vogelsang voor het publiek toegankelijk…

Zo hebben we er meteen een reden bij om naar deze streek terug te keren. We verdrinken onze frustratie met de twee rondjes die Hans ons in ruil voor “Angels” van Robbie Williams trakteert en weigeren het rondje van het huis… Morgen is het vroeg dag.

Dag acht: weer naar huis

We vertrekken vrij vroeg, want Bram en ik hebben die dag nog een repetitie en een optreden voor de boeg. Tien kilometer voor we de Belgische grens en de Hoge Venen bereiken, gebeurt datgene waar we zo behoedzaam voor zijn geweest: we worden geflitst…

We rijden ongeveer tien kilometer door de Hoge Venen, tussen de Belgische grens en Eupen. Zelfs wanneer Nathalie en Stijn in Leuven uitstappen, is de vakantiesfeer nog niet verdwenen…

In het universiteitspark van Bonn

Kort: deze reis is een aanrader voor al wie houdt van variatie: Rheinland-Pfalz biedt prachtige natuur en landschappen, nette en gezellige steden en zeer vriendelijke en gastvrije mensen. Gemünd of Schleiden zijn door hun centrale ligging de ideale verblijfplaatsen in deze regio.




De kiezer wil meer Vlaanderen

Vlaanderen past je perfectVlaanderen staat weer volop in de kijker. Vandaag stelde Vlaams minister van Buitenlands Beleid Geert Bourgeois het nieuwe logo van Vlaanderen voor promotie in het buitenland voor. Met de gemeentelijke en provinciale (en eigenlijk ook de federale) verkiezingen in ‘t verschiet, vragen we ons in deze tekst af of de Vlaamse burger zelf Vlaanderen wel zo belangrijk vindt, en of de Belgische deelstaten voor hem meer bevoegdheden moeten krijgen.

Vooreerst bekijken we het stemgedrag van de Vlaming. We koppelen daarbij het programma van de Vlaamse politieke partijen en hun in meerdere of mindere mate voorstander zijn van meer Vlaamse autonomie, aan het electoraal succes van deze partijen. Ten tweede gaan we ook na in welke mate onze politici op dit succes inspelen.

We legden eventjes de programma’s van de belangrijkste Vlaamse partijen naast elkaar. De Vlaamse partijen die te vinden zijn voor meer Vlaamse autonomie, dus confederalisme of onafhankelijkheid, bespreken we hieronder.

Vlaams Belang
Vlaams Belang: “Politieke actie voor de onafhankelijkheid van Vlaanderen is het leidbeginsel van het Vlaams Belang en zal ook in de toekomst ons eerste principe blijven.” (eerste programmapunt)

Ongetwijfeld voelt veel van het kiezerspubliek van Vlaams Belang zich om andere redenen tot de partij aangetrokken. Ook vreemdelingenbeleid en criminaliteitsbestrijding zijn immers belangrijke programmapunten van VB. We mogen echter met vrij grote zekerheid stellen dat elke kiezer van VB op de hoogte is van de separatistische overtuigingen van de partij. Daarbij speelt de aanwezigheid van een Vlaamse Leeuw eveneens een belangrijke rol. Een zero-tolerante belgicist zal dus naar alle waarschijnlijkheid niet op VB stemmen: ofwel staat de VB-kiezer onverschillig tegenover onafhankelijkheid, ofwel is hij eerder voorstander ervan.

N-VA
N-VA: “Democratie en zelfbeschikkingsrecht zijn het belangrijkste uitgangspunt van de N-VA, ze vallen samen in de term “zelfbestuur”.” (eerste programmapunt algemeen ledencongres 20 mei 2002)

N-VA lijkt ons de Vlaamse partij bij uitstek te zijn die als enige programmapunt het streven naar Vlaamse onafhankelijkheid heeft. Het zou wat te ver gaan, mochten we N-VA een zweeppartij noemen, maar het staat wel vast dat de andere doelstellingen van de partij erg ondergeschikt zijn aan haar hoofddoel. Wie stemt voor N-VA, stemt dus voor onafhankelijkheid.

VLD
VLD: “(…) een verdere toewijzing van materiële bevoegdheden aan de gemeenschappen en de gewesten. De basis hiertoe vormen de vijf resoluties over de staatshervorming die in maart 1999 bijna unaniem door het Vlaams Parlement zijn goedgekeurd geweest.” (Visie inzake staatshervorming)

Men zou het wel eens durven te vergeten, maar ook VLD streeft naar meer Vlaamse autonomie. Je kunt echter moeilijk stellen dat elke VLD-kiezer voor meer Vlaanderen te vinden is. De partij telt dan wel een aantal ex-VU-kopstukken, maar er zijn ook mandatarissen zoals Herman De Croo die de huidige Belgische staat het liefst heropbouwen, en niet afbreken. Het valt dus te betwijfelen of dit VLD-standpunt veel succes heeft bij voorstanders van meer Vlaamse autonomie. Dat VLD in praktijk dit standpunt niet al te strikt naleeft, bevestigt deze stelling ongetwijfeld.

CD&V
CD&V: “Vlaanderen beschikt over alle beleidshefbomen om zonder inmenging of blokkering door Wallonië en België naar eigen inzicht en visie een project te realiseren voor een (h)echte Vlaamse Gemeenschap.” (Programma Vlaamse verkiezingen juni 2004)

Er is zonder twijfel een groeiende groep kiezers die voor CD&V stemt, nu de partij, vooral sinds de Vlaamse verkiezingen van 2004, duidelijk meer Vlaamse autonomie wil bereiken. Uiteraard heeft CD&V een loyale achterban, hoewel de Vlaamse tintjes ook veel ACW’ers voor het hoofd zullen stoten. Het kartel met N-VA bevestigt de aanwezigheid van die Vlaamse reflex, evenals de houding van Leterme als het om communautaire dossiers gaat. Men kan dus bezwaarlijk stellen dat de CD&V-kiezer niet op de hoogte is van de communautaire agenda van CD&V.

SPIRIT
SPIRIT: “Vlaanderen en Wallonië beslissen samen welke bevoegdheden gezamenlijk worden uitgeoefend. Op Belgisch niveau kiest SPIRIT dus resoluut voor het confederaal model.” (Programma Vlaamse verkiezingen juni 2004)

Blijft er nog het piepkleine SPIRIT over. Het is mij niet duidelijk waar de SPIRIT-kiezer op uit is. Is het het progressieve, jonge en linkse imago? Spelen de VU-geschiedenis en het regionalisme nog een rol? Waarschijnlijk beïnvloedt de kartelpartner het succes van SPIRIT bij Vlaamsgezinde kiezers in negatieve zin. Ten slotte houdt SPIRIT zich amper nog met flamingantische doelstellingen bezig, althans, zo lijkt het me te zijn. In elk geval telt de partij volgens peilingen gemiddeld slechts 3 % kiezers. Dat is ongeveer de helft van het N-VA-publiek.

Daarnaast bevinden zich nog een aantal flaminganten of confederalisten in andere partijen. We denken aan Louis Tobback van sp.a en Bart Staes van Groen!. Het is onmogelijk uit te vissen hoeveel kiezers voor de Vlaamsvoelendheid van deze twee heren vallen. Bijgevolg komen ze verder in deze tekst niet meer aan bod. Ze kunnen wel als levend bewijs gelden dat ook in andere partijen en zelfs aan de linkerzijde flaminganten terug te vinden zijn (zie ook de communistische ex-politicus Jef Turf en de filosoof Ludo Abicht).

Bekijken we vervolgens de verkiezingsresultaten van de Vlaamse verkiezingen van 2004, voor de hierboven vermelde partijen. Gemakkelijkheidshalve laten we SPIRIT buiten beschouwing. CD&V en N-VA (we veronderstellen dat N-VA 5 % van de kiezers heeft binnengehaald) halen samen met VB (en zonder VLD) al een meerderheid en zelfs al zou slechts de helft van de VLD- en CD&V-kiezers voor Vlaamse autonomie te vinden zijn, dan nog blijft die meerderheid pro-confederalisme of -separatisme zo goed als bewaard.

Uiteraard is dit alles behalve een wetenschappelijk onderbouwde visie: er zijn veel kiezers die amper weten waar een bepaalde partij voor staat, laat staan wat haar programma is. Niettemin moet zelfs de grootste criticaster toegeven dat bovenvermelde percentages dermate hoog zijn, dat je moeilijk de stelling kunt gaan tegenspreken, dat er in Vlaanderen een behoorlijk groot draagvlak bestaat voor meer Vlaamse autonomie. Ons standpunt wordt nog versterkt nu de roep naar een nieuwe staatshervorming ook in zowat alle Vlaamse politieke partijen steeds luider klinkt, terwijl media hierover uitgebreid berichten. Anders gezegd, je moet vandaag behoorlijk wereldvreemd zijn om niet te weten dat pakweg CD&V, N-VA en VB meer Vlaamse zelfstandigheid eisen.

Dat laatste is overigens een tweede opvallend feit. Wanneer verkiezingen naderen zijn zelfs de radicaalste socialisten voorstanders van meer Vlaamse autonomie. Zo komt het dat sp.a een regionalisering van de spoorwegen en van het werkgelegenheidsbeleid plots wel ziet zitten. Ook Groen! ziet de bui voor 2007 al hangen en heeft een aantal bevoegdheidsherverdelingen in haar programma staan.

Het bevestigt dat de Vlaamse reflex echt leeft onder de Vlaamse bevolking: als verkiezingen naderen zijn zelfs de radicaalste socialisten Vlaamsgezind(er). De enigen die dat schijnbaar niet beseffen zijn diezelfde politici, daags na de verkiezingen.

Schijnbaar, want ze weten dat ze na de verdwijning van het Belgische gedrocht op zoek moeten naar een nieuwe volkse reflex om stemmen te trekken.




Rursee (Rheinland-Pfalz, Duitsland)

Klik op de foto om hem volledig te bekijken.

Rursee (Rheinland-Pfalz, Duitsland)




Het Europese recht op vrije meningsuiting

Het Centrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding (CGKR) heeft er een nieuwe zondebok bij. Toen Paul Beliën in een (intussen verwijderd) opiniestuk omtrent de moord op Joe Van Holsbeek de allochtone daders “roofdieren” noemde, die “van kleinsaf [...] tijdens het jaarlijkse offerfeest [hebben] geleerd hoe ze warmbloedige kuddedieren moeten kelen” werd tegen hem een klacht ingediend wegens racisme op het internet. Tegenwoordig kan dat anoniem via de recentelijk opgerichte Cyberhate-website van de overheid.

Velen zullen het verwonderlijk vinden dat de uitspraken van Beliën in de Verenigde Staten als betrekkelijk banaal worden aanzien. Het is voor hen ook moeilijk te vatten dat organisaties als de KKK of neo-nazistische groeperingen in de Verenigde Staten zich probleemloos op het recht op vrije meningsuiting kunnen beroepen, terwijl dit in Europa ondenkbaar is. Vandaar ook dat de klacht tegen Beliën in Amerika nauwgezet wordt gevolgd: recentelijk verscheen een opiniestuk in The Washington Post waarin felle kritiek werd geüit op de Belgische inperking van de vrije meningsuiting. (Toch even verwijzen naar de McCarthy witch-hunts en de huidige houding tegenover terrorisme: Amerika heeft evenmin een schoon geweten inzake vrije meningsuiting.)

De reden van het verschil tussen het Europese en het Amerikaanse recht op vrije meningsuiting is historisch te verklaren. Terwijl in de Verenigde Staten al enkele eeuwen een absoluut recht op vrije meningsuiting bestond, zijn gelijkaardige grondrechten in Europa pas effectief geworden na de Tweede Wereldoorlog. Ze werden vastgelegd in het EVRM, samen met andere rechten en vrijheden, met als doel elke Europese burger voorgoed voor de racistische verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog te behoeden. Het zou dan ook contradictorisch zijn, mocht iemand zich op het recht op vrije meningsuiting kunnen beroepen om discriminatoire uitspraken te mogen doen (het EVRM bepaalt overigens uitdrukkelijk dat dergelijk rechtsmisbruik niet toegelaten is).

De strikte naleving van de racismewetten in ons land, en de implicaties daarvan voor het recht op vrije meningsuiting hebben ook een politieke oorzaak: ze worden gebruikt als instrumenten bij uitstek om Vlaams Belang van de macht te weerhouden. Elke mening die volgens de overheid deviant of politiek-incorrect is, kan ermee worden bestraft.

Het recht op vrije meningsuiting moet echter absoluut zijn. Censuur en gedachtenpolitie zijn in een vrije, democratische maatschappij onaanvaardbaar. Bewustzijn is de kern van het mens-zijn. Het niet kunnen uiten van de gedachten die eruit ontstaan is een flagrante schending van mensenrechten. Ook als die mening bepaalde gevoelige punten in een maatschappij blootlegt, kan deze niet verboden worden. Wel integendeel, kritiek moet worden aangewend om maatschappelijke debatten op gang te brengen.
Bovendien wordt racisme niet opgelost door een beperking van de vrije meningsuiting: een gevangenisstraf of een geldboete verandert helemaal niets aan de mening van een persoon. Siegfried Verbeke gelooft vandaag nog steeds dat er geen holocaust is geweest. Filip Dewinter staat nog steeds achter het klassieke Vlaams Blok-programma. En Paul Beliën zal, indien het tot een veroordeling komt, na afloop van zijn straf nog steeds dezelfde mening hebben over de daders van de moord op Joe Van Holsbeek.

De bepalingen van het EVRM zijn overigens vooral van toepassing op de verhouding tussen de overheid en zijn onderdanen (zgn. verticale werking). Tot op vandaag zijn juristen het niet eens over de vraag of de grondrechten van het EVRM ook tussen burgers onderling gelden (horizontale werking). Het naleven van enkel de verticale werking zou inderdaad een nieuwe holocaust kunnen voorkomen: de overheid mag, o.g.v. het EVRM immers niet discrimineren.

Aan het EVRM enkel verticale werking toekennen, zou dus best wel een goede oplossing kunnen zijn. Enerzijds wordt het doel van de grondrechten niet miskend: indien de overheid niet mag discrimineren in haar handelen en in het uiten van haar mening, kan ze onmogelijk de vervolging van een bepaalde groep mensen op poten zetten. Een dergelijke interpretatie doet dus geen afbreuk aan het doel van de wet. Bovendien krijgt de overheid zo een voorbeeldfunctie, eerder dan de huidige situatie waarin de overheid een sanctie-orgaan is. Anderzijds blijft bij een verticale werking het recht op vrije meningsuiting (en alle grondrechten van het EVRM) absoluut geldig voor de burgers zelf, zonder enige beperking.

Het doel van de beperking van de vrijheid van meningsuiting, nl. racisme bestrijden, is nobel. Racisme is verwerpelijk, het oordelen over mensen op basis van hun afkomst, geaardheid of geloof onaanvaardbaar. Het middel om racisme te bestrijden, nl. de beperking zelf van het individuele recht op vrije meningsuiting, is echter efficiënt noch acceptabel. Racisme bij burgers kan immers niet worden bestreden met wetten en straffen. Het moet vanzelf uit een gezonde, vrije maatschappij verdwijnen.




Domme Franstaligen in de Rand

België volgens DSIn een vandaag verschenen interview met de Franse krant “Libération” laat Vlaams Minister-President Yves Leterme zich laatdunkend uit over de houding van de Franstaligen in de Vlaamse Rand rond Brussel. De Franstaligen “ne sont pas en état intellectuel” om Nederlands te leren, aldus Leterme. Hij voegde daar vanmiddag nog aan toe, dat de huidige situatie in de faciliteitengemeenten in de Rand, mogelijks ook door kwade wil in hoofde van de Franstaligen is ontstaan.

In 1963, kort nadat de taalgrens doorheen België werd getrokken, installeerde de wetgever faciliteiten in een aantal gemeenten waar zich taalminderheden bevonden. Dat gaf Duitstalige, Franstalige en Vlaamse minderheden de mogelijkheid om officiële documenten in hun eigen taal te ontvangen, zodat ze zich geleidelijk zouden kunnen aanpassen aan de taal van het (eentalige) gebied waarin hun gemeente zich bevond, of om naar het taalgebied van hun keuze te verhuizen. Hoewel dit wettelijk niet was bepaald, werd aangenomen dat de faciliteiten slechts tijdelijk waren - althans, zo werd het de Vlamingen verteld. Vooral in de Vlaamse Rand rond Brussel werd die tijdelijkheid echter niet in praktijk omgezet. Het beleid creëerde geen enkele stimulans om de Franstaligen tot aanpassing aan te zetten. Tweetaligheid werd de ongeschreven regel in onderwijs, administratie en cultuur in ruime zin.

Eind 2004, meer dan veertig jaar na de installering van de faciliteiten, bevestigde de Raad van State dat de faciliteiten een uitdovend karakter hebben, en dat het beleid aan dat karakter moet worden getoetst.

Intussen zijn de taalminderheden van toen vaak meerderheden geworden. Het Vlaamse karakter heeft in verschillende faciliteitengemeenten plaats gemaakt voor de Franstalige cultuur. Het Vlaamse beleid in de Randgemeenten heeft zwaar gefaald: de Vlaamse rechten werden er met de voeten getreden. De gemeenten zijn vandaag enkel nog Vlaams op papier. En ook de Franstaligen werden er niet beter van: Franstalige inwoners vinden geen job, omdat zij de (officiële) taal van hun gemeente niet machtig zijn.

Het is dan ook ongehoord dat uitgerekend de Vlaamse Minister-President, die namens alle Vlamingen hoort te spreken, de Franstalige burgers aanpakt, en niet het wanbeleid dat gedurende de voorbije decennia in de faciliteitengemeenten (vnl. onder CVP-bewind) werd gevoerd. De conclusie zou eerder moeten zijn geweest dat die beleidsmakers “n’étaient pas en état intellectuel” om de faciliteitengemeenten op fatsoenlijke wijze te besturen, conform hun tijdelijke aard.

De uitspattingen van Leterme zijn populistisch, beledigend en veralgemenend. Het is een houding die ik van de Minister-President niet had verwacht. We zullen, uitgaand van de veronderstelling dat dit slechts een “accident de parcours” was, zijn uitspraken voor een keer met de mantel der liefde bedekken, en hopen dat zijn verkiezingsredes in de komende maanden inhoudelijk iets steviger worden onderbouwd.




Rocamadour (Périgord, Frankrijk)

Klik op de foto om hem volledig te bekijken.




Vrijheid als basis voor elk politiek systeem

De Belgische grondwet van 1831 was in die periode (en zelfs tot op heden) de meest liberale grondwet die op het Europese vasteland in werking trad. Na het wanbeleid van de Nederlandse koning Willem I wou de revolutionaire Constituante die het grondwettelijke document samenstelde, voorgoed komaf maken met willekeur en machtsmisbruik in de nieuwe staat België. Er werden dan ook een uitgebreid aantal individuele rechten en vrijheden in opgenomen, waaronder de pers-, godsdienst- en onderwijsvrijheid, het recht op vrije meningsuiting en de vrijheid van vereniging, die de bescherming van de burger tegen het wanbestuur van de machtshebbers moest bezegelen.

Amper twee eeuwen later zijn de liberale idealen van toen echter compleet uitgehold (we verwijzen in het bijzonder naar het ontwerp van Europese Grondwet): het verbod op discriminatie regeert genadeloos over de politieke, economische en sociale sfeer, de burger kreeg er zomaar een grondrecht op milieubescherming bij en het even nieuwe grondrecht op sociale zekerheid geldt als excuus bij uitstek om elke burger, zelfs de meest behoeftige, zonder zijn toestemming een deel van zijn zuurverdiende loon te ontnemen. Het zijn de drie voorbeelden bij uitstek van grondrechten die niet door elke burger worden ondersteund. Basisrechten en -vrijheden moeten nochtans universeel gelden en dus door iedereen (kunnen) worden aanvaard.

Ergerlijk wordt het vooral wanneer we er de eindeloze lijst gewone (lees: niet formeel grondwettelijke) wetten, regels en bepalingen bij halen, waarvan vele nuttig noch nodig waren om de oorspronkelijke rechten en vrijheden van de burger te beschermen - voorbeelden zijn legio. Het is moeilijk te begrijpen hoe de wetgever een dergelijk paternalistisch rechtssysteem heeft kunnen uitbouwen, zonder de liberale geest van de grondwet - die nochtans geldt als basis voor de gewone wetsbepalingen - in acht te moeten nemen. Sommige burgers zullen geen kritiek hebben op dit rechtssysteem, terwijl anderen geen mogelijkheid krijgen om vrij voor dit systeem te kiezen. Zij moeten zich meteen en onvoorwaardelijk onderwerpen aan de principes van deze democratie, die in grote mate door een (toevallige) meerderheid werden opgesteld. Het besef dat een terugkeer naar de basisbeginselen van onze oorspronkelijke grondwet (of op zijn minst een inperking van de betutteling) zich opdringt, lijkt geleidelijk aan in de publieke opinie door te sijpelen. De vraag rijst hoe zo’n grondwet er moet uitzien, opdat alle burgers hun rechten op de meest ruime manier kunnen genieten.

Op het eerste zicht lijkt dit vanuit klassiek-liberaal oogpunt helemaal geen moeilijke opdracht. Het aantal basisrechten dat deze ideologie verdedigt is immers beperkt, mede omdat deze rechten zeer ruim kunnen en mogen worden geïnterpreteerd. Zo impliceert het recht op individuele vrijheid o.m. het zelfbeschikkingsrecht, recht op vrije meningsuiting, recht op vereniging, onderwijsvrijheid, etc. Het eigendomsrecht garandeert een bescherming van de goederen van de burger, die hij door zijn werk en inzet heeft verworven. In ruime zin kan dit eigendomsrecht zelfs op dergelijke wijze worden geïnterpreteerd dat het ook de voornoemde individuele vrijheid omvat. Om misbruik en uitholling te voorkomen lijkt het o.i. toch aangewezen elk van deze rechten apart te omschrijven, doch met voldoende ruimte voor rechterlijke interpretatie. Grondrechten mogen in elk geval niet restrictief worden geïnterpreteerd. Het is immers inherent aan het concept vrijheid dat zij bij de minste beperking ervan niet meer bestaat. Toch zijn er begrenzingen aan deze grondrechten: zij worden ingeperkt door de rechten van de andere burgers, en omgekeerd.

Het zijn deze liberale rechten, gebaseerd op het recht op individuele vrijheid en eigendom, die de optimale bescherming en vrijheid bieden voor burgers tegenover diegenen die de macht over hen claimen, zowel beleidsmakers, als gewone medeburgers.

De vraag moet echter worden gesteld naar de universaliteit en de algemene aanvaarding van deze basisprincipes: zoals er burgers zijn die zich niet kunnen vinden in het verbod op discriminatie, zijn er ongetwijfeld burgers die niet akkoord gaan met pakweg het recht op eigendom. Het zou dan ook fout zijn te pretenderen dat de klassiek-liberale waarden de (enige) juiste politieke principes zijn. Evenmin mogen deze rechten met dwang aan de burgers worden opgelegd. In dat geval zou de grondwet immers zijn doel voorbijschieten, zouden de liberale principes op totalitaire wijze worden uitgeoefend, en zouden zij bijgevolg niet meer liberaal zijn.

Het belang van deze grondrechten belet niet dat burgers vrijwillig hun rechten en vrijheden geheel of ten dele, tijdelijk of langdurig afstaan aan andere burgers of aan een gemeenschap. Dat kan zowel via private ondernemingen (denken we aan de ziekteverzekering als alternatief voor de huidige sociale zekerheid), als via de werkelijke oprichting van samenlevingen of communities tot dewelke burgers vrijwillig kunnen toetreden. De mogelijkheden zijn hierbij onbeperkt: de betrokken partijen vullen de voorwaarden, hun vrijheden en verantwoordelijkheden zelf in onderling akkoord in. De burgers moeten dergelijke keuzes dus geheel vrijwillig kunnen maken, zich goed bewust zijnd van de gevolgen ervan, naar het voorbeeld van de contractssluiting. Eender welke vorm van dwang of bedrog is niet aanvaardbaar - al kwam die voort van een bij meerderheid van burgers genomen beslissing, want dit zou een beperking inhouden van de grondwettelijk beschermde individuele vrijheidsrechten. Uiteraard mag een dergelijke beslissing geen andere burgers in hun vrijheid raken, zoals reeds gezegd.

Uit al het bovenstaande mag blijken dat een grondwet noodzakelijk is om de individuele vrijheid van alle burgers te garanderen. Deze stelling gaat zelfs op ingeval de overtuigingen van sommige van die burgers haaks staan op de liberale basisprincipes: het recht op vrijheid impliceert het recht op onvrijheid.

Logischerwijs moet uit deze situatie na verloop van tijd het (of meerdere) ideale maatschappijsyste(e)m(en) groeien: de burgers zullen immers kiezen voor de samenleving die hen het meest bevalt. Minder goede systemen zullen in verval geraken en samen met hun aanhangers uitsterven. Het is dus even goed mogelijk dat een zuiver klassiek-liberaal ’systeem’ een dergelijke survival of the fittest niet overleeft, nl. onder de hypothese dat elke burger voor een afwijkend systeem heeft gekozen. Deze grondwet staat uiteraard evenmin ons huidige politieke systeem in de weg, met sociale zekerheden, uitgebreide grondrechten, etc. - zij het dat burgers er dan wel uitdrukkelijk zullen moeten voor kiezen.

Het blijft belangrijk in te zien dat enkel een grondwet die de liberale beginselen verankert, de garantie van vrijheid kan bieden: het is dan ook vanzelfsprekend dat een liberale grondwet als basis moet gelden voor de vrijheden van elke burger en van elke daaruit voortvloeiende samenleving, al is die etatistisch, totalitair, collectivistisch of… democratisch.

Gepubliceerd in Blauwdruk, jaargang 33, 2005-2006, nummer 2.




Het (recht op) leven aan een zijden draadje

Op 12 december 2005 werd Kenneth Lee Boyd geëxecuteerd in de Verenigde Staten, als duizendste terdoodveroordeelde sinds de doodstraf in 1976 in de VS werd ingevoerd. Kort daarop volgde de controversiële executie van Stanley Tookie Johnsson. Heel even kwam de doodstraf weer in de schijnwerpers te staan. De gekende feiten over de wereldwijde toepassing van de doodstraf zijn dan ook hallucinant. Zo luidde de officiële Chinese verklaring dat het land 3.400 gedetineerden zou hebben geëxecuteerd in 2004. Volgens Amnesty International geeft een toonaangevende Chinese parlementariër echter toe dat er bijna 10.000 mensen per jaar worden geëxecuteerd. Maar ook in de Verenigde Staten, een wereldmacht met een onmiskenbare voorbeeldfunctie in onze samenleving, werden 59 mensen tot de dood veroordeeld in 2004.

De meeste westerlingen vinden de doodstraf een barbaarse vorm van straffen, maar toch zijn er nog steeds veel mensen die geen eensluidende mening hebben. Als de namen Marc Dutroux of Saddam Hoessein vallen, krijgt de discussie plots een andere wending en vinden sommigen dat de doodstraf in bepaalde gevallen wél kan (de daden die voornoemde heren op hun kerfstok hebben, zijn nochtans van een niet te vergelijken verwerpelijkheid…). En dan hadden we het nog niet over de talrijke Amerikanen die onvoorwaardelijk voor het behoud van de doodstraf zijn.

Met dit bescheiden onderzoek willen we aantonen dat over de doodstraf veel verkeerde opvattingen bestaan. We hebben getracht een aantal klassieke argumenten en clichés kort te bespreken, en deze opzij te schuiven. Onderaan deze tekst gaan we nader in op de doodstraf vanuit liberaal oogpunt, zij het vrij beperkt omdat de onaanvaardbaarheid van de doodstraf voor liberalen zo vanzelfsprekend is. Naast de gekende liberale en/of humanistische argumenten vonden we heel wat concrete feiten en cijfers die het pleit in het nadeel van de doodstraf doen beslechten.

Oog om oog…

Een veelgebruikt argument pro doodstraf blijft nog steeds dat een moordenaar geen recht op leven heeft, omdat hij of zij het leven van een medeburger heeft weggenomen. Op het eerste zicht houdt die redenering steek. Als we ze echter in de juiste historische context gaan plaatsen, mogen we echter stellen dat het aloude “oog om oog, tand om tand”-principe in de 21ste eeuw (en eigenlijk al sinds de heropstanding van de rede sinds de Verlichting) niet meer aanvaardbaar is: ons strafrecht wordt niet langer door vergelding gestuurd en burgers mogen niet langer zelf het strafrechtelijke heft in handen nemen. Om diezelfde reden is het ook onaanvaardbaar deze taak over te laten aan de overheid. De kracht van onze samenleving is vandaag immers dat zij door de rede wordt gestuurd, niet door onze grillige emoties. Een land zoals de Verenigde Staten dat zichzelf humanitair en beschaafd noemt, en bovendien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) erkent, spreekt zichzelf tegen wanneer het zijn burgers tot de dood veroordeelt.

Dat de doodstraf een groter afschrikkingsmiddel zou zijn is evenmin een plausibel argument. Volgens Amnesty International hebben meerdere onderzoeken uitgewezen dat een terdoodveroordeling niet meer afschrikt dan een langdurige gevangenisstraf. Er is immers geen verband tussen de doodstraf en het aantal misdaden. Prof. dr. Lieven Vandekerckhove bewees dit eerder met het eenvoudige feit dat chauffeurs vertragen bij het naderen van een flitscamera en daarna gewoon weer gas geven: als er al sprake is van afschrikking door straffen, bereikt dit alleszins niet het verwachte doel. Burgers trachten de straf te vermijden, zonder hun strafbaar gedrag aan te passen. En ook omtrent de veel radicalere doodstraf bewijzen perceptie en gezond verstand dat straffen amper afschrikken: het valt immers te betwijfelen dat in Europa, waar geen doodstraf meer wordt uitgevoerd, meer ernstige misdaden zouden worden gepleegd dan in landen waar de doodstraf wel nog bestaat.

Een ander populair argument is dat de doodstraf een goedkoop alternatief zou zijn voor een levenslange opsluiting. De uitgave van belastinggeld blijft een gevoelig punt voor de staatsburger, zelfs als daar mensenlevens tegenover staan. Uit onderzoeken blijkt verrassend genoeg dat aan de uitvoering van een doodstraf zeer hoge kosten zijn verbonden. Deze vloeien voort uit het langdurige onderzoek en de gerechtskosten die bij dergelijke rechtszaken komen kijken. Men beseft blijkbaar wel degelijk dat de staat het beschikkingsrecht over het leven van een burger in handen heeft, en daarom verloopt de rechtspleging een stuk meer uitgebreid en ingewikkeld. Het Death Penalty Info Center meldt dat een doodstraf in Indiana een prijskaartje heeft dat 38 procent hoger is dan een effectieve levenslange gevangenisstraf (lees wel degelijk: levenslang maaltijden, bewaking etc. op kosten van de belastingbetaler). In de staat Kansas duurt een strafproces met de doodstraf als uitspraak gemiddeld vierendertig dagen, terwijl criminele rechtszaken met minder drastische gevolgen slechts negen dagen duren. Om je een idee te geven van de concrete cijfers: in Florida kostte één all-in executie in de periode 1973-1988 gemiddeld 3.2 miljoen dollar aan de maatschappij.

Opgeruimd staat netjes

Jammer genoeg laten burgers zich in het debat over de doodstraf nog te vaak leiden door emoties. De vrees van de burger voor misdaad neemt zulke absurde vormen aan dat zelfs een (levens)lange opsluiting hem niet gerust stelt.

Uiteraard moet een straf de veiligheid van een maatschappij garanderen, maar de opsluiting van een veroordeelde is een voldoende maatregel om het potentiële gevaar dat de misdadiger voor de samenleving kan betekenen, af te wenden. Een ander argument zou kunnen zijn dat door het ter dood veroordelen van een misdadiger, de dierbaren van de slachtoffers hun verwerkingsproces kunnen versnellen. Het behoeft geen verdere uitleg dat dit een zeer cynische stelling is: psychische bevrediging halen uit de dood van een mens is o.i. even immoreel als de concrete misdaad die de veroordeelde heeft gepleegd.

De doodstraf misbruikt

We trappen open deuren in, maar ook de overheid maakt fouten. Sinds 1974 zijn er 122 terdoodveroordeelden vrijgesproken op basis van nieuwe bewijzen. Het spreekt voor zich dat er nog steeds onschuldigen op Death Row zitten en dat deze fouten in het verleden het leven van onschuldigen hebben geëist.

Ook racisme blijkt in de context van de Amerikaanse doodstraf nog steeds problematisch. De feiten omtrent het terdoodveroordelen bevestigen dit. Het Death Penalty Information Center geeft ons hallucinante cijfers. Een recente studie in Californië heeft uitgewezen dat misdaden met een blanke als slachtoffer drie keer vaker leiden tot een executie dan een misdaad tegen een zwarte. De statistieken tonen ons dat bij interraciale moorden (i.c. een zwarte misdadiger en een blank slachtoffer - of omgekeerd) een zwarte misdadiger zwaarder wordt bestraft dan een blanke. Deze laatste opmerking geldt overigens eerder als een pleidooi tegen racisme vanwege de overheid, dan als argument tegen (dood)straffen, maar toont niettemin aan dat de doodstraf soms zelfs met willekeur wordt gehanteerd. En was staatswillekeur niet datgene wat men met de Amerikaanse grondwet voorgoed wou bannen?

Voor humanisten (die zich zowel in linkse, liberale als rechtse politieke kampen schuilhouden) heeft alle bovenstaande informatie weinig relevantie. Deze doet hoogstens dienst als ondersteuning van de ideologische argumenten tegen de doodstraf.

Het recht op leven is essentieel in elke maatschappij. In alle grondwetten en mensenrechtenverdragen komt dit grondrecht op de eerste plaats, en dit onvoorwaardelijk en onbeperkt. Het zijn en leven van de mens zijn de eerste bestaansvoorwaarden van een samenleving. De doodstraf (de facto doden in het algemeen) verdedigen op grond van zijn nut voor de samenleving en haar individuen, is dus contradictorisch. In quasi elke (maatschappij-) ideologie die ooit door de mens werd bedacht, wordt dan ook even veel waarde gehecht aan het recht op leven.

Het is dan ook logisch dat de overheid het recht op leven van zijn burgers moet vrijwaren - of het op zijn minst respecteren. Bij het toepassen van de doodstraf overschrijdt de staat duidelijk die primaire functie (zij het nu in de positieve zin van vrijwaren of in de negatieve zin van respecteren), meer zelfs, de overheid gaat er recht tegen in. Hierboven is uitgebreid beargumenteerd dat het terdoodveroordelen van criminelen volledig nutteloos is en op geen enkele manier de burger dient. Het is hallucinant dat sommige burgers nog steeds toelaten dat de staat zelf mensen doodt. Hieruit volgt logischerwijs ook een belangrijk debat over de legitimiteit van overheidshandelingen, en dus over de overheid zelf, dat ons uiteraard veel te ver zou leiden.

Het wezen en het leven van een mens zijn zijn meest kostbare goederen. De doodstraf heeft onomkeerbare gevolgen voor het individu - het houdt op te bestaan - en die eigenschap is reeds een voldoende voorwaarde om met de hoogste vorm van waakzaamheid met zulke straffen om te gaan.

Cleo Mombaers
& Willem Coppenolle

Gepubliceerd in Blauwdruk, jaargang 33, 2005-2006, nummer 2.




Scheepslift van Strépy

Klik op de foto om hem volledig te bekijken.